==

==

35.

==

Rino Zena hoorde niets meer. Een draaikolk van angst had hem de duisternis in gezogen. Hij zag de maatschappelijk werker al voor zich, vergezeld van twee agenten, die voor hem stond te zwaaien met het opstel van Cristiano.

En ze zouden hem meenemen. Voorgoed.

En dat mocht niet gebeuren, want zonder Cristiano was hij niets meer.

Rino slikte iets weg en sloeg zijn handen voor zijn ogen. ‘Maar hoe kom je in godsnaam aan zulke ideeën?’ Hij praatte zachtjes, ademend door zijn neus. ‘Hoe vaak heb ik je niet gezegd dat je alles binnenshuis moet houden... Dat je aan niemand mag laten zien wat je denkt, dat ze je daarop pakken. Wij zijn met elkaar verbonden door een draad, snap je? En iedereen wil die draad kapotmaken. Maar het zal niemand lukken. Ik zal altijd bij jou zijn en jij altijd bij mij. En ik zal jou helpen en jij zal mij helpen. Snap je met die stomme hersens van je dan niet dat je nooit het achterste van je tong mag laten zien? Denk maar aan schildpadden, denk aan hun pantser. Denk maar dat je zo sterk moet zijn dat niemand je kwaad kan doen.’ Hij sloeg zo hard met zijn vuist tegen het dashboard dat het handschoenenkastje vanzelf openging en propjes uitspuugde.

‘Waarom doe je zo, papa? Waarom geloof je me niet?’ zei Cristiano met een gebroken stem.

‘Zet niet zo’n stemmetje op! Ben je soms een klein meisje? Ga je nou soms grienen?’

Danilo gebaarde tegen Cristiano dat hij zich er niets van moest aantrekken en zijn mond moest houden, en probeerde te bemiddelen. ‘Kom op, Rino, hij heeft de waarheid gesproken. Jouw zoon liegt niet. Je kent hem toch.’

Rino sprong bijna uit zijn vel. ‘Hou je mond jij! Bemoei je er niet mee! Bemoei ik me soms met het gesodemieter tussen jou en die snollige vrouw van je? Ik ben in gesprek met mijn zoon. Dus houd je mond.’

Danilo sloeg zijn ogen neer.

Cristiano droogde zijn tranen af met zijn handen. Niemand durfde meer iets te zeggen. Iedereen zweeg en het enige wat je hoorde was de achtergrondruis van de rivier en de takken die langs de zijkanten van de bestelbus schraapten.

==

==

36.

==

Ze hielden stil op een terrein voor een oud gebouw op de plaats waar in de jaren zeventig zand uit de rivier werd gewonnen. Hoge zandheuvels vormden een halve cirkel rondom door roest weggevreten machines.

Cristiano sprong uit de bestelbus en rende naar de toren waar het water werd onttrokken.

Hij bleef staan voor een bouwvallige barak met ingeslagen ruiten die beklad was met graffiti en tekeningen.

Hij wilde terug naar huis lopen. Het was ver, maar dat gaf niet. Al was het koud, het zou voorlopig niet regenen. Het weer sloeg om. In het zuiden was de grijze lucht opengereten en door de flarden heen verscheen het kristalblauw van de hemel. Er scheerde een koppel aalscholvers over zijn hoofd. In de verte hoorde je het tumult van de door de regen gezwollen rivier.

Het zette zijn capuchon op.

Voor de barak lagen de verkoolde resten van een brandstapel. Het metalen geraamte van een stoel. Door het vuur verwrongen autobanden. Oude slippers. Een gasstelletje.

Cristiano haalde het opstel uit zijn zak, en een aansteker. Op het moment dat hij het vlammetje bij het papier hield, hoorde hij achter zich roepen: ‘Cristiano! Cristiano!’

Zijn vader kwam naar hem toe lopen. Hij droeg een Schots wollen jasje met velours aan de binnenkant. Het hing open en eronder droeg hij alleen zijn hemd.

Hoe is het mogelijk dat hij het nooit koud heeft?

Een hoekje van het papier begon te branden.

‘Wacht!’ Rino pakte het uit zijn hand en blies ertegen zodat het vuur doofde.

Cristiano wierp zich op hem en probeerde het uit zijn handen te grissen.

Zijn vader liep een paar passen achteruit. ‘Ben je gek geworden? Waarom wil je het verbranden?’

‘Omdat er dan geen bewijsmateriaal meer is. En jij tevreden kunt zijn. Er zouden ’s nachts toch dieven kunnen komen die het meenemen? Of de politie... Of buitenaardse wezens.’

‘Nee, niet verbranden.’

‘Wat kan jou het schelen? Je vond het toch niet goed.’ Cristiano rende weg in de richting van de rivier.

‘Blijf staan!’

‘Laat me met rust! Ik wil alleen zijn.’

‘Wacht!’ Zijn vader haalde hem in en pakte hem bij zijn arm.

Cristiano probeerde zich los te maken en schreeuwde: ‘Laat me met rust! Ga weg! Donder op!’

Rino drukte hem stevig tegen zich aan en duwde Cristiano’s gezicht tegen zijn borst. ‘Luister even naar me. Daarna mag je gaan als je wilt.’

‘Wat moet je?’

Rino liet hem los en streek over zijn kale schedel. ‘Nou... Kijk...’ Het kostte hem moeite de juiste woorden te vinden. Uiteindelijk stak hij een sigaret op. ‘... Je moet begrijpen dat er een reden voor is dat ik boos ben... Als je dat opstel zou inleveren, zou die kutjuf van jou het meteen aan de maatschappelijk werker geven en dan zou die morgen met jouw opstel bij ons op de stoep staan.’

‘Ik ben niet achterlijk en daarom heb ik het ook niet ingeleverd. Dat heb ik je al gezegd, maar jij gelooft me niet. Het is zinloos.’

‘Nee, ik wilde alleen maar... ik wilde het alleen maar zeker weten.’ Rino schopte een steen weg en keek toen zuchtend naar de hemel. ‘Ik ben bang, Cristiano... Ik ben bang dat ze ons uit elkaar halen. Dat is het enige wat ze willen. Als ze ons uit elkaar halen...’ Toen zei hij niets meer. Hij dook ineen en rookte zijn sigaret, die hij tussen duim en wijsvinger vasthield.

Alle woede die Cristiano had gevoeld, smolt weg als de sneeuw die die nacht was gevallen. Hij wilde zijn vader het liefst omhelzen, maar zei alleen maar met een brok in zijn keel: ‘Ik zal je nooit verraden. Je moet me geloven als ik je iets zeg, papa.’

Rino keek zijn zoon aan en wreef toen, met de peuk tussen zijn lippen, in zijn ogen en zei ernstig: ‘Ik geloof je pas als je me verslaat.’

‘Wat?’ Cristiano begreep het niet.

‘Ik geloof je pas als jij eerder boven bent dan ik.’ En hij wees naar de zandheuvel voor hen.

‘Waar slaat dat nou op?’

‘Hoezo, waar slaat dat nou op? Snap je wel wat een ongelooflijke kans dit voor je is? Als jij me verslaat, moet ik jou de rest van mijn leven geloven.’

Cristiano probeerde niet te lachen. ‘Wat een onzin... Echt weer iets voor jou.’

‘Wat is het probleem? Je bent jong. Atletisch. Ik ben een oud baasje. Waarom zou jij niet winnen? Denk je eens in, als jij me verslaat kun je tegen me zeggen dat jij Quattro Formaggi de knecht van de kapper knipt knapper dan de knapste kapper hebt horen zeggen en dan moet ik je... Rotjoch!’

Cristiano was al naar de zandheuvel gesprint.

‘Verdomme, dit keer versla ik je,’ grijnsde Cristiano, terwijl hij de zandheuvel op rende.

Na de eerste drie stappen moest hij zijn handen in het zand drukken om niet weg te zakken. Het zand gleed weg. Zijn vader stond onderaan, een paar meter van hem vandaan.

Hij moest winnen. Hij verloor altijd van zijn vader. Bij schijfschieten. Bij armpje drukken. Bij alles. Ook bij pingpongen, hoewel hij wist dat hij daarin een kanjer was en zijn vader een onbenul. Hij kwam tot achttien, negentien-zes, dat soort punten, en als hij dan nog maar twee punten miste om hem verpletterend te kunnen verslaan, begon die rotvent te roepen dat hij een zwakkeling was, dat hij bang was om te winnen, bedwelmde hem met woorden, waardoor hij geen punt meer kon maken en Rino won.

Maar dit keer niet. Ik maak je in.

Hij beeldde zich in dat hij een enorme klimspin was. Het geheim was dat je je handen en voeten goed moest neerzetten. Het zand was koud en nat. Hoe hoger hij klom, hoe steiler de heuvel werd en hoe sneller het zand onder zijn schoenen weggleed.

Hij draaide zich om en keek waar zijn vader was. Die kwam dichterbij. Zijn gezicht was verwrongen van inspanning, maar hij gaf niet op.

Het probleem was dat Cristiano na elke drie passen er twee terug gleed. De top was niet ver, maar leek onbereikbaar.

‘Kom op, Cristiano! Kom op, verdomme... Je kunt het! Versla hem!’ moedigden Danilo en Quattro Formaggi hem onder aan de zandheuvel aan.

Hij gaf alles, schreeuwde van inspanning en was er bijna, nog anderhalve meter tot de top, het was hem gelukt, hij had hem verslagen, toen zijn enkel werd vastgepakt in een wurggreep. Samen met een lading zand werd hij omlaag getrokken.

‘Dat telt niet!’ schreeuwde hij, terwijl zijn vader als een bulldozer over hem heen klauterde. Cristiano probeerde hem vast te pakken aan de zoom van zijn broek, maar zijn hand gleed weg en bijna kreeg hij een schop in zijn gezicht.

Zijn vader plantte zijn handen op de top van de heuvel, ging op zijn knieën zitten, hief zijn armen ten hemel alsof hij de k2 had beklommen en riep: ‘Victorie! Victorie!’

Op een halve meter van de top bleef Cristiano happend naar adem languit in het zand liggen, terwijl alles om hem heen instortte.

‘Kom... Kom hier... Je had bijna gewonnen. Kom op, je bent eigenlijk tweede geworden... je bent niet als laatste geëindigd,’ hijgde zijn vader, dubbelgevouwen door uitputting.

‘Het telt niet! Je hebt me vastgepakt!’

‘O... en voor het startsein wegrennen telt zeker wel? Is dat... sportief?

Zijn gezicht was paars aangelopen. ‘Jezus, wat voel ik me... Die sigaretten... Kom op, geef me je hand.’

Cristiano pakte hem vast en liet zich omhoog trekken. Van uitputting moest hij overgeven.

‘Oké, je hebt verloren... Maar... je hebt het goed gedaan... Ik geloof je.’

‘Kloot... zak. Ik heb je laten winnen... omdat je oud bent.... Alleen daarom...’

‘Ja... Dat heb je goed gedaan. Je moet respect hebben voor ouderen.’ En Rino legde een arm om zijn schouder.

Nu zaten vader en zoon op de top van die heuvel en keken uit over de wazige vlakte en de rivier die zich op dat punt verbreedde in een grote bocht. De overkant was ver weg, verzonken in de mist, en alleen de kale toppen van de populieren staken erbovenuit als de masten van een spookschip. Iets verderop was het water buiten de oevers getreden en waren de landerijen ondergelopen. Vanboven zag je het silhouet van de elektriciteitscentrale, de rij elektriciteitsmasten en het viaduct van de snelweg.

Rino verbrak de stilte. ‘Je hebt een mooi opstel geschreven. Ik vond het goed. Je hebt het goed gezegd. Weg met de buitenlanders en werk voor de Italianen. Zo is het.’

Cristiano pakte een handjevol zand en maakte er een bal van. ‘Natuurlijk, alleen heb je zelfs niet de vrijheid om te schrijven wat je denkt.’

Rino ritste zijn jas dicht. ‘Niet praten over vrijheid. Iedereen heeft het maar over vrijheid. Vrijheid hier, vrijheid daar. Ze hebben er hun mond vol van. Maar wat moet je met vrijheid? Als je geen cent te makken hebt, geen werk hebt, heb je alle vrijheid van de wereld maar weet je niet wat je ermee moet doen. Dan ga je weg. En waar ga je dan naartoe? En hoe ga je weg? Zwervers zijn de vrijste mensen van de wereld en die vriezen dood op de bankjes in het park. Vrijheid is een woord dat alleen maar dient om de mensen te vernachelen. Weet je wie de enigen zijn die vrijheid hebben? De mensen met geld. Die wel...’ Zwijgend dacht hij hierover na en toen legde hij zijn hand op de arm van zijn zoon. ‘Wil je zien wat mijn vrijheid is?’

Cristiano knikte.

Rino trok van achter zijn rug een pistool tevoorschijn. ‘Deze jongen hier. Zijn achternaam is vrijheid en zijn voornaam 44 Magnum.’

Cristiano’s mond viel open van verbazing. ‘Die is prachtig.’

‘Een juweeltje. Smith & Wesson. Korte loop. Helemaal verchroomd.’ Rino hield het pistool vergenoegd in zijn hand. Hij haalde het trommelmagazijn eruit, liet het ronddraaien en drukte het toen met een korte polsbeweging terug op zijn plaats.

‘Mag ik hem even vasthouden?’

‘Hij is heel zwaar. Deze is van... hoe heet-ie ook alweer...?’ Cristiano hield het pistool met twee handen vast en richtte op een punt in de verte. ‘Hoe heet-ie ook alweer? Die vent uit The Enforcer.’

‘Inspecteur Callaghan. Alleen heeft die een lange loop. Hoe vind je hem? Is hij niet geweldig?’

‘Hij is ongelooflijk. Wat zou er gebeurd zijn als ik hiermee had geschoten op de hond van Castardin?’

‘Dan was die in stukjes op de weg terechtgekomen. Dit jochie hier is een wees, net als jij. Alleen heeft hij geen vader én geen moeder meer. Het serienummer is verwijderd.’

Cristiano deed één oog dicht, strekte zijn arm en hield het pistool opzij gedraaid. ‘En hoeveel heb je ervoor betaald?’

‘Weinig.’

‘Maar waarom heb je hem gekocht? Je hebt toch al die Beretta...’

‘Wat een gezeur! Zit je me hier te ondervragen of bedoel je dat je hem graag wil uitproberen?’

Cristiano staarde zijn vader ongelovig aan. ‘Mag dat?’

‘Ja. Maar je moet oppassen voor de terugslag. Deze is anders dan die andere. Deze geeft echt een klap. Trek de veiligheidspal omlaag. Houd het pistool met beide handen vast. Losjes. Je moet niet verstarren want dat doet pijn. En houd hem ver van je gezicht.’

Cristiano gehoorzaamde. ‘Waar moet ik op schieten?’

Rino zocht met zijn blik een doel. Toen hij dat vond glimlachte hij. ‘Schiet maar op die bak met macaroni. We zullen die twee daar eens een hartverzakking bezorgen,’ fluisterde hij in zijn oor.

Cristiano lachte.

Beneden, aan de achterkant van het terrein, waren Danilo en Quattro Formaggi bezig met de oude tractor. Ongeveer vijf meter verderop stonden een plastic bak vol macaroni met saus, een krat bier en de halflege fles grappa. Danilo’s picknick.

‘Goed richten, hoor. Je mag ze niet raken. En ook niet die fles, want als de scherven in het rond vliegen...’ fluisterde Rino ernstig.

Cristiano deed één oog dicht en sperde het andere wijd open. Hij verplaatste het pistool totdat hij de macaronibak in het vizier kreeg. Het was moeilijk om het pistool stil te houden, want het was behoorlijk zwaar.

‘Als je nu niet schiet houden je armen...’

Cristiano haalde de trekker over. Er klonk een oorverdovende dreun, de bak spatte uiteen alsof hij geraakt was door een kruisraket, en macaroni, macaronispetters en stukjes plastic verspreidden zich over een straal van tien meter.

Danilo en Quattro Formaggi sprongen van schrik in de lucht.

Lachend rolden Cristiano en Rino van de zandheuvel, terwijl de andere twee, van top tot teen besmeurd met macaroni en saus, Christus en alle heiligen vervloekten.

==

==

37.

==

Het werd ze niet snel vergeven.

Vooral Danilo was behoorlijk nijdig. Zijn broek zat onder de vlekken, en olie gaat er zelfs in de wasmachine niet uit.

Cristiano knielde smekend voor hem neer en pakte zijn voeten vast. ‘Danilootje, niet boos zijn. Het was maar een grapje. En je bent zo lief en zo mooi...’

‘Donder op! We hadden wel dood kunnen zijn! En bovendien zat er saus bij die pasta! Saus van wortel, selderij en sjalotjes. Die maakt Teresa maar één keer per maand.’

Intussen drentelde Quattro Formaggi zwijgend over het terrein om de macaroni op te rapen en in een plastic zak te doen.

Uiteindelijk moest Rino beloven dat hij, zodra hij wat geld had, hen zou uitnodigen bij pizzeria Het Gouden Zeilschip en voor iedereen zou betalen.

Ze gingen elk met een biertje op de bank zitten. Ze gaven elkaar de plastic zak door en visten er macaroni uit.

‘Hoe is het met de tractor?’ vroeg Cristiano, terwijl hij op een stukje macaroni blies, in een poging het zand eraf te krijgen.

‘Redelijk,’ antwoordde Danilo, nadat hij zijn mond had losgemaakt van het bierflesje. ‘Quattro Formaggi zegt dat we nog koppelingsschijven moeten ritselen en dat de motor dan als een zonnetje zal lopen.’

‘Maar zou hij door die muur kunnen rammen?’

‘Wat dacht je! Ik heb die muur van de bank goed bestudeerd. Hij is gemaakt van bakstenen die al omvallen als je een scheet laat.’

Nadat ze hadden gegeten, vielen de drie mannen op de bank in coma. Cristiano verveelde zich. Het was koud en de volgende dag zou Beppe Trecca, de maatschappelijk werker, langskomen voor de gebruikelijke controle, en het huis was één grote puinhoop.

‘Papa, zullen we gaan? Morgen is het zaterdag. Dan komt Trecca. We moeten nog opruimen.’

‘Nog vijf minuutjes. Waarom ga je niet even spelen?’

Uit de toon van zijn antwoord maakte Cristiano op dat hij niet voor zonsondergang van die bank zou komen.

‘Hè, verdomme!’ mompelde hij en hij begon steentjes te gooien tegen een door vuur geblakerde ton.

==

==

38.

==

Quattro Formaggi lag languit op de versleten bank en staarde naar de wolken die ronddraaiden in de lucht.

‘Ken... kennen... jul... jullie Liliana?’ zei hij, terwijl zijn mond trok en zijn arm begon te trillen.

Danilo, verdoofd door het bier, had zijn ogen halfopen. Hij tilde zijn hoofd op, maar dat viel terug tegen de rugleuning van de bank. ‘Wie is dat?’ prevelde hij nauwelijks geïnteresseerd.

Die werkt... ‘...bij Euroedil.’

‘En wie is dat dan?’

Bij de boekhouding. Ze heeft... ‘...zwart haar. Lang. Ze is...’ ...mooi.

Rino, die in een hoek van de bank lag met zijn benen op een lege gascilinder, knikte. ‘Ze werkt bij de boekhouding. Ik ken haar.’

‘O! Ik weet het! Dat slagschip dat altijd drie kilo stuuk op haar gezicht smeert?’ vroeg Danilo.

Quattro Formaggi knikte.

‘De oude, dikke Liliana,’ mompelde Rino en hij zette de lege fles aan zijn mond op zoek naar de laatste druppels grappa.

Quattro Formaggi, inmiddels ten prooi aan alle mogelijke tics, kon alleen uitbrengen: ‘Nou... Nou...’

‘Zeg op! Wat bedoel je?’ spoorde Danilo hem aan.

‘Ik zou... Ik zou haar wel mee uit eten willen vragen...’ En hij slikte iets door wat zijn keel blokkeerde.

Danilo lachte honend. ‘Die gaat echt niet met jou uit, zelfs niet als...’ Hij moest even nadenken. ‘Weet je, ik kan niet eens iets bedenken waarom zij met iemand als jij zou uitgaan.’

‘Laat hem uitspreken...’ zuchtte Rino.

Quattro Formaggi raapte zijn moed bij elkaar. ‘Ik wil met haar... trouw... en.’

Danilo liet een boer en schudde zijn hoofd. ‘Lulkoek!’

‘Dat is geen lulkoek. Ik wil met haar trouwen.’

‘Vind je haar leuk?’ vroeg Rino.

‘Ja. Heel erg. En...’ Quattro Formaggi verstomde.

Danilo, uitgezakt als een albino gorilla, schrok op van het gesnik. ‘Heb je wel goed naar haar gekeken? Ze heeft een kont zo groot als heel Sardinië. En het ergste is dat ze zelf denkt dat ze een stoot is. Laat toch zitten. Dat is niks voor jou.’

Maar Quattro Formaggi liet zich niet uit het veld slaan. ‘Dat is niet waar. Ze kan mij best leuk vinden.’

Danilo stootte Rino aan met zijn elleboog. ‘Dan ga je naar haar toe en zeg je dat je met haar wilt trouwen... Maar dan moet je wel eerst mij opbellen, want dat schouwspel wil ik niet missen.’

Quattro Formaggi pakte een steen en gooide die ver weg. ‘Ik heb een plan.’

Danilo krabde zijn buik. ‘Waarvoor?’

‘Om met haar te praten.’

‘Laat horen...’

Quattro Formaggi stompte zichzelf driemaal op zijn borst. ‘Zij vindt Rino leuk.’

Rino keek verbaasd op. ‘Mij?’

‘Ja. Ze kijkt altijd naar je.’

‘O! Daar heb ik nooit iets van gemerkt.’

Danilo begreep het niet. ‘Sorry, maar als zij Rino leuk vindt, dan heb jij een probleem.’

Quattro Formaggi knipperde nerveus met zijn ogen. ‘Laat me uitpraten.’

En hij wendde zich tot Rino. ‘Jij nodigt haar uit in het restaurant. En je komt met Danilo. Maar je praat niet met haar, alleen maar met Danilo, over voetbal. Vrouwen haten voetbal...’

‘Wat weet jij daarvan? Ben je nu ook al een expert in vrouwen?’ onderbrak Danilo hem voor de zoveelste maal.

Maar Quattro Formaggi deed alsof hij niets hoorde. ‘Dan kom ik binnen... Jullie gaan weg en ik blijf alleen met haar achter.’ Hij pauzeerde even. ‘Wat vind je ervan, Rino?’

‘En wie betaalt dat restaurant?’ vroeg Danilo.

‘Ik. Ik heb wat geld opzij gelegd.’

‘En wat levert het ons op?’

Quattro Formaggi keek wanhopig om zich heen. Op die vraag was hij niet voorbereid. Hij stompte zich hard op zijn been. ‘Pizza.’

Rino stond op en rekte zich uit. ‘Genoeg gepraat. Laten we naar huis gaan, ik voel me niet lekker. Cristiano, jij rijdt tot de rijksweg!’

==

==

39.

==

Cristiano had geen zin om te rijden, maar zijn vader bleef aandringen. ‘Je moet oefenen. Je hebt nog steeds moeite met de koppeling. Geen gezeur, mijn hoofd barst zowat uit elkaar.’

Cristiano was een paar maanden geleden begonnen met autorijden. En hij vond dat hij het niet slecht deed. Hij had moeite met wegrijden, als hij de koppeling losliet had hij geen controle over het gaspedaal en stond de bestelbus stil of schoot knetterend vooruit, maar als hij eenmaal reed, ging alles goed.

Maar met zijn vader die in zijn oren brulde werd het een nachtmerrie. ‘Pas op! Andere versnelling! Hoor je de motor niet?’

Maar die dag had Rino hoofdpijn. Dat had hij de laatste tijd steeds vaker. Hij zei dat het voelde alsof er een zwerm bijen in zijn schedel zat. Soms duurde het zelfs een hele dag en moest hij in het donker liggen, in stilte, en bracht het minste of geringste geluid hem tot razernij. In die gevallen moest Cristiano zich in zijn eigen kamer opsluiten.

Toen Danilo had geadviseerd dat hij naar een dokter moest gaan, had Rino zijn mening daarover zeer welsprekend geuit. ‘Als er iets is waar dokters geen snars verstand van hebben, dan is het het hoofd. Ze verkondigen maar wat onzintheorieën. Ze proppen je vol met medicijnen die een godsvermogen kosten en waar je nog zieker van wordt, zo ziek dat je niet eens meer de kracht hebt je snikkel uit je broek te halen om te pissen.’

Cristiano reed, terwijl de andere drie, nog bedwelmd door de alcohol, boven op elkaar lagen te snurken. De zon was ondergegaan en had roze strepen achtergelaten aan de horizon, terwijl de meeuwen zich in de rivier stortten.

Op de rijksweg nam Quattro Formaggi het stuur over.

==

==

40.

==

Toen ze thuiskwamen was het al donker.

Zwijgend begon Rino aan de afwas die zich in twee weken in de gootsteen had opgestapeld, en Cristiano begon de woonkamer op te ruimen.

Beiden haatten de dag waarop de maatschappelijk werker kwam.

Ze hadden die dag de bijnaam ‘de dag van de schone schijn’ gegeven. Maar misschien haatten ze ‘de dag vóór de dag van de schone schijn’ nog meer, want dan moest de hele benedenverdieping worden opgeruimd. De bovenverdieping niet, want – zo zei Rino altijd – je hoefde alleen te poetsen waar de bisschop voorbijkwam.

Dat gebeurde op zaterdag, om de week.

De rest van de tijd lieten ze de boel de boel.

Ze gebruikten alle borden en vorken tot er geen schone meer waren. Hun kleren wasten ze daarentegen één keer per maand in Danilo’s wasmachine, om ze vervolgens in de garage te laten drogen. De woonkamer was niet moeilijk schoon te maken omdat die zo leeg was.

Cristiano raapte bierblikjes, pizzadozen en aluminium bakjes van de snackbar op. Ook van onder de kasten en de bank. Alleen al met de blikjes vulde hij een vuilniszak.

Daarna haalde hij zo goed en zo kwaad als het ging een dweil over de vloer.

Terwijl zijn vader de afwas deed, pakte Cristiano uit de koelkast de resten van een groen beschimmelde provolone, rottende groente, en perzikjam bedekt met witte pluizen. Vervolgens veegde hij met de natte dweil het aanrecht af.

In de gang stond nog steeds de verdorde kerstboom, ook al was Kerstmis allang voorbij. Cristiano had hem versierd met bierblikjes en als piek een flesje Campari Soda over de top geschoven.

Het was tijd om de kerstboom weg te gooien.

‘Ik ben klaar!’ zei hij tegen zijn vader, terwijl hij met een hand over zijn voorhoofd veegde.

‘Wat is er te eten?’

‘Pasta met...’ Hij keek wat er nog in de koelkast over was. ‘Met smeerkaas.’

Dat smeerde je uit over het bord en dan gooide je de nauwelijks afgegoten pasta eroverheen.

Succes verzekerd.

Hij zette het water op.

Na het eten liet Cristiano zich op de bank vallen om televisie te kijken. Je zat daar lekker. De kachel verspreidde een aangename lauwe temperatuur. Hij vond het fijn om zo in slaap te vallen, gewikkeld in de Schotse deken.

Zijn vader strekte zich uit op de ligstoel, met een biertje en de houten bezemsteel om van zender te wisselen in zijn hand.

Die avond had Cristiano graag gekeken naar De pot verwijt de ketel, een programma waarin grappen werden uitgehaald (ook al waren ze niet echt, je moest er toch om lachen), maar zijn ogen voelden zwaar en zonder het te merken viel hij op de bank in slaap.

==

==

41.

==

Rino Zena haatte televisie. Variété, talkshows, politieke programma’s, documentaires, journaals, zelfs sport, en weersvoorspellingen die nooit uitkwamen.

Vroeger was dat anders.

Toen hij klein was, was televisie een heel ander verhaal. Twee zenders. Duidelijk. Staatszenders. Er waren mooie dingen, gemaakt met passie. Daar keek je de hele week naar uit. Pinocchio bijvoorbeeld. Een meesterwerk. En wat dacht je van de acteurs? Manfredi, een meester. Alberto Sordi, een genie. Totò, de beste komiek ter wereld.

Maar nu was alles veranderd.

Rino haatte de gebruinde presentatoren en hun blote assistentes en werd ziek als hij zag hoe graag de mensen voor heel Italië over hun privéleven wilden vertellen. Hij verachtte die arme sukkels die op de televisie kwamen en begonnen te grienen en zeiden dat ze zo’n verdriet hadden omdat ze door hun vrouw waren verlaten.

En hij haatte de hypocriete vriendelijkheid van de presentatoren. Hij haatte de belspelletjes. De in elkaar geflanste balletten. Hij haatte de ranzige grappen van de komieken. En hij verafschuwde imitators en mensen die geïmiteerd werden. Hij haatte politici. Hij haatte de series met goedmoedige wijkagenten, sympathieke politiemannen, grappige priesters en misdaadbestrijdingsteams. Hij haatte de puisterige pubers die er een moord voor zouden doen om maar te worden toegelaten tot dat miezerige paradijs. Hij haatte die honderden quasi-beroemde zombies die bedelend als honden smeekten om een optreden. Hij haatte de deskundigen die zich verrijkten met tragedies.

Ze weten alles. Ze weten alles over verraad, armoede, de weekendmoorden, de psyche van moordenaars.

Hij haatte het wanneer ze deden alsof ze verontwaardigd waren. Wanneer ze elkaar als honden in het park de kont likten. Hij haatte de ruzies die niet langer duurden dan een scheet. Hij haatte de collectes voor de kindertjes in Afrika terwijl er in Italië mensen waren die honger leden. Hoeren met ronde tieten als meloenen, opgespoten lippen, gezichten die allemaal gelijk waren.

Iedereen heeft het over gelijkheid, maar hoezo ‘gelijkheid’? Als ze het beeld geven van een stel snollen zonder hersens waar je een stijve van moet krijgen? Om weg te kunnen komen van huis en bekendheid te krijgen, lieten ze zich neuken door een of andere klootzak met een beetje macht. Vrouwen die over het lijk van hun moeder gaan om een beetje succes te krijgen.

Hij haatte ze allemaal, iedereen daarbinnen, zo erg dat hij zich soms moest inhouden om niet de bezemsteel te pakken en die klotetelevisie in stukken te slaan.

Het liefst zou ik jullie allemaal achter elkaar in een rij zetten en afschieten. Wat jullie hebben misdaan? Jullie verkondigen de leugen. Jullie zijn bezig het verstand van miljoenen kinderen te verzieken. Door werelden te laten zien die niet bestaan. Jullie brengen de mensen ertoe zichzelf te ruïneren om een auto te kopen. Jullie storten Italië in het verderf.

Toch kon Rino Zena het niet laten om televisie te kijken. Hij zat elke avond voor de buis. En overdag, als hij thuis was, lag hij altijd in die ligstoel tegen ze te schelden.

Rino zette een andere zender op, draaide zich om en zag dat Cristiano sliep.

Zijn slapen bonkten nog steeds, maar hij had geen zin om naar bed te gaan. Even overwoog hij de mogelijkheid om naar Danilo te gaan, maar toen bedacht hij zich. ’s Avonds was Danilo niet te harden, dan begon hij te zeuren over zijn vrouw en ging daarmee door tot hij, geveld door de grappa, omviel.

Nee, ik heb zin om te neuken.

Hij trok zijn jack aan en liep het huis uit zonder te weten waar hij naartoe ging.

De benzinetank van het bestelbusje was bijna leeg. Die twee dachten zeker dat hij op water reed. Nooit gaven zij er een cent aan uit. Langs de rijksweg vond hij een benzinestation dat vierentwintig uur per dag open was en hij tankte voor de laatste tien euro die hij nog had. Nu had hij niet eens meer geld om een biertje te halen.

Hij duwde de slang terug op zijn plaats en wilde net weer in de bestelbus stappen, toen een zilverkleurige Mercedes met felle koplampen op twee meter afstand van hem tot stilstand kwam. Een vrouwenarm stak uit het raampje bij de bestuurdersplaats. In haar hand hield zij een briefje van vijftig en een munt van twee euro vast.

Rino liep naar haar toe.

Achter het stuur zat een magere vrouw met lang blond haar, een ovale bril met een smal blauw montuur. Een oortelefoontje bungelde uit haar oor langs haar wang en eindigde naast haar dunne donkerrood gestifte lippen.

‘Vijftig euro,’ zei ze tegen Rino, en praatte vervolgens verder door de microfoon. ‘Ik geloof niet... Ik geloof toch echt niet... Je bent de weg kwijt, je hebt de kern van de kwestie uit het oog verloren, lieve Carlo...’

Rino pakte het geld aan, stapte in het bestelbusje en reed weg.

==

==

42.

==

Danilo Aprea lag in het donker in bed. Zijn armen langs zijn lichaam. Zijn gezicht naar het plafond gericht. Hij droeg een groene pyjama met lichtblauwe stippen, die rook naar wasverzachter. En ook de lakens waren schoon en keurig gestreken. Hij strekte zijn hand uit naar de plek waar Teresa ooit had geslapen. Daar was het koud en plat. Hij had spijt dat hij een andere matras had gekocht. De nieuwe – met springveren – was stijf en stug. Maar de oude, een wollen, had hun vormen aangenomen. Op het gedeelte van Teresa had zich een langgerekte, s-vormige holte gevormd, omdat zij altijd op haar zij sliep. Met haar rug naar hem toe en haar gezicht naar de muur.

De rode cijfers van de radiowekker gaven 23.17 uur aan.

De slaap was verdwenen. Hoewel zijn ogen voor de televisie waren dichtgevallen... Er was een documentaire over de migratie van walvissen. Teresa was altijd dol geweest op natuurdocumentaires. En die over walvissen en dolfijnen vond ze het allermooist. Ze hield van walvisachtigen, omdat die volgens haar eerst zoveel moeite hadden moeten doen om de zee te verlaten en, eenmaal op het land gekomen, hadden besloten rechtsomkeert te maken. Miljoenen jaren weggegooid om weer vis te worden. Danilo begreep niet waarom dat zo’n mooi verhaal was. Teresa had het hem uitgelegd. ‘Omdat je, als je een vergissing maakt, altijd weer terug moet.’ En Danilo had niet begrepen of ze daarmee op hen had gedoeld.

Hij had haar kunnen bellen om te vertellen dat die documentaire over walvissen op de tv was.

Hij hoorde de stem van zijn vrouw, die hem bedankte.

Geen dank... Vind je het leuk om elkaar morgen te zien?

(Natuurlijk.)

Wat dacht je ervan om af te spreken bij Rouge et Noir? Ik heb je zoveel te vertellen.

(Om vier uur?)

Om vier uur.

Hij stak de lamp op het nachtkastje aan, zette zijn bril op en keek naar de telefoon...

Nee. Ik heb het haar beloofd.

... en pakte toen de Da Vinci Code, waarvan hij in twee jaar tijd om precies te zijn twintig bladzijden had gelezen.

Hij ging rechtop zitten en las een bladzijde zonder te lezen. Hij keek op uit het boek en staarde naar de muur.

Maar ditmaal belde hij haar voor iets belangrijks. Ze kon nog net het laatste kwartier van de documentaire zien. Er waren zelfs orka’s. Hij pakte de hoorn en toetste met ingehouden adem het nummer in. De telefoon ging over en niemand nam op.

Nog drie keer en dan leg ik neer.

Een... twee... en drie...

‘Hallo! Met wie spreek ik?’ De slaperige stem van Teresa.

Hij zweeg.

‘Hallo, met wie spreek ik? Ben jij dat, Danilo?’

Hij onderdrukte de impuls om te antwoorden en streek met een hand over zijn wangen en mond.

‘Danilo, ik weet dat jij het bent. Je moet me niet opbellen, snap dat dan! Ik heb mijn mobieltje uitgezet, maar ik kan de vaste telefoon niet uitzetten. Je weet dat het niet goed gaat met Piero’s moeder. Telkens wanneer jij belt, schrikt hij zich een ongeluk. Je hebt ons wakker gemaakt. Alsjeblieft, stop hiermee. Ik vraag het je heel vriendelijk.’ Ze zweeg even, alsof ze uitgeput was. Danilo hoorde dat ze zwaar ademde. Maar toen vervolgde ze vlakjes: ‘Ik heb je gezegd dat ik jou zou opbellen. Als je zo doorgaat, bel ik je helemaal niet meer. Dat zweer ik je.’

Ze had opgehangen.

Danilo legde de hoorn neer, sloeg het boek dicht, zette zijn bril af, legde die op het nachtkastje en knipte het licht uit.

==

==

43.

==

Ramona was net uit de gevangenis gekomen. Ze droeg een mouwloos shirtje, een kort, heel strak spijkerbroekje en cowboylaarzen. Ze stond te liften en Bob de boswachter zat in zijn geruite houthakkersjack achter het stuur van een bestelwagen en stopte.

‘Waar ga je heen?’ vroeg hij aan Ramona.

Quattro Formaggi, die in zijn onderbroek voor zijn kleine televisie zat, zei tegelijk met het blondje: ‘Waar het geluk me brengt. Heb jij me iets te bieden?’

Bob glimlachte en liet haar instappen.

Quattro Formaggi strekte zijn hand uit en drukte op fast forward-toets van de videorecorder.

De beelden vlogen voorbij over het scherm. De bestelwagen kwam aan bij het huisje in het bos. Haastige begroetingen. Maaltijd met kalkoen. En toen allemaal naakt op het aanrecht om te neuken. Donker. Ochtend. Bob de boswachter hakte hout. Ramona ritste zijn broek los en pakte zijn snikkel vast. Hier drukte Quattro Formaggi op pause.

Dit was zijn lievelingsscène. Hij had hem al minstens duizend keer gezien en de kwaliteit van het beeld was heel slecht, alle kleuren hadden een rode waas. Hij liep naar de keuken en stak het licht aan.

Er hing nog steeds een muffe lucht van de gekookte bloemkool die hij twee dagen daarvoor had gegeten en waarvan de paarsachtige resten ronddreven in een pan op het fornuis. Op het aanrecht lag het uitgedroogde karkas van een kip en stond een lege fles Fanta.

Hij haalde een bakje met ijsklontjes uit het diepvriesvak. Hij hield ze onder de kraan en liet de klontjes in een emmer vallen, die hij vulde met tien centimeter water. Hij zette de emmer op het aanrecht, trok de rechtermouw van zijn kamerjas omhoog en dompelde zijn hand in het water.

Duizenden speldenprikken drongen binnen in zijn vlees. Maar even later leek het water kokendheet.

Uit ervaring wist hij dat het ongeveer tien minuten moest duren.

Hij klemde zijn tanden op elkaar en wachtte.

Toen hij meende dat de tien minuten voorbij waren, haalde hij zijn rode, ijskoude hand uit de emmer en droogde die af aan een theedoek.

Hij kneep er even in.

Niets.

Hij pakte een vork van het aanrecht en drukte die in zijn handpalm.

Niets.

Met zijn rechterarm omhoog liep hij terug naar de televisie en drukte op play.

Hij ging zitten, trok zijn onderbroek naar beneden en pakte met de door de kou verstijfde hand zijn snikkel vast.

Op zijn huid voelde hij de koude vingers die hem stevig omklemden.

Precies zo voelde het wanneer ze je snikkel vastpakten.

Precies zo.

De ijskoude hand van Ramona begon heftig op en neer te bewegen.

Quattro Formaggi spreidde zijn benen en opende zijn mond. Zijn hoofd viel achterover en een bedwelmend genot explodeerde onder in zijn nek.

==

==

44.

==

Het buurtcentrum Peace Warrior was een oude leerfabriek die begin jaren zeventig de hekken had gesloten, vervolgens gekraakt was en waar nu vaak concerten werden gegeven.

Zes loodsen naast elkaar, beklad met graffiti en omringd door grind. Uit vaten ontsnapten tongen van vuur en zwarte rook. Er had zich een dichte mist gevormd, waarin de koplampen van de auto’s werden gedempt tot goudkleurige halo’s. Van binnenuit drong oorverdovende muziek naar buiten.

Rino parkeerde naast een rij grote choppers.

Hij stapte uit de bestelbus met een fles Johnny Walker Red Label, een cadeautje van de vrouw in de Mercedes. Met twee spleetjes in plaats van ogen liep hij naar de ingang.

Een heleboel jongelui, vermomd als punkers, Amerikaanse motorrijders, metaalbewerkers, dromden samen voor het buurtcentrum.

Rino baande zich met zijn ellebogen een weg door de menigte. Iemand probeerde te protesteren, maar zodra ze hem zagen hielden zelfs de grootste en gevaarlijkste jongens hun mond en lieten hem door. Ondanks de alcohol die zijn zintuigen bedwelmde, merkte Rino als een wild dier hoe bang iedereen voor hem was, en hij vond dat waanzinnig prettig. Het was net alsof er een briefje op zijn hoofd was geplakt waarop stond: het wachten is alleen op iemand die mij kwaad maakt.

Maar die avond had hij geen zin om te vechten. Drie eikels met haar dat was opgerold tot dikke, smerige, stinkende spiralen, hielden schoenendozen vol bankbiljetten in hun hand.

Een van hen, met ingevallen wangen en een zonnebril op, vroeg hem om een vrijwillige bijdrage voor de muzikanten. Waarschijnlijk had hij in het gedrang niet beseft wie hij tegenover zich had, en toen hij zijn blik ophief en dat kale beest vol spieren en zonder ogen voor zich zag, ontsnapte hem een schichtig glimlachje en stamelde hij: ‘Nee... Jij... Ik weet ’t... Ga maar... Ga maar...’ En hij liet hem door.

Binnen was het minstens dertig graden en kon je niet ademhalen vanwege die duizenden opeengeperste lichamen die als een branding heen en weer deinden. Er hing een walgelijke stank. Een ondraaglijk mengsel van hasj, sigaretten, zweet en vochtig pleisterwerk.

Achter in de zaal vuurde een muur van klankkasten muziek af op het publiek. De band, verre stipjes verlicht door rode spots, speelde weerzinwekkende muziek die één en al valse gitaren en drums was. Een miezerige stakker stond te krijsen en sprong rond alsof er een egel in zijn kont zat. Boven het podium hing een enorme vredesvlag.

Rino stortte zich in de menigte en bereikte de zijmuur van de zaal. Daar werd minder geduwd en was een beetje ruimte om te ademen. Het licht van de projectors die aan het plafond hingen kwam daar niet en in het halfdonker zag je silhouetten op de grond zitten, rode peuken, hoofden die elkaar kusten, pratende groepjes.

Over benen en bierblikjes heen stappend bracht Rino zichzelf tot zo’n dertig meter van het podium. De muziek was daar zo hard dat hij niet eens zijn eigen gedachten kon horen.

Nu kon hij de band zien. Met die lange haren, die plateauzolen onder hun voeten, die gezichten bedekt met schmink zagen ze eruit als een slechte kopie van een Amerikaanse heavy metal-band. Niets is erger dan een slechte kopie van iets zijn.

Voor het podium zag hij een lang, mager meisje met kort, blond haar dansen.

Dat lijkt Irina wel.

Hij leunde tegen een pilaar, zette de fles aan zijn mond en sloot zijn ogen. Zijn kin viel op zijn borst. Alles deinde. Hij klampte zich aan de pilaar vast om niet te vallen.

Irina was lang en broodmager. Kleine borsten en fantastische benen. Haar benen en haar hals waren het mooiste wat ze had. En met uitzondering van haar hersens was de rest ook niet te versmaden...

Wat had hij veel van haar gehouden! Hij herinnerde zich dat hij buikpijn kreeg als hij haar langer dan een halve dag niet zag.

Maar waarom was alles dan toch mislukt?

‘Ik wil een abortus... Ik ben te jong, Rino. Ik wil leven.’

‘Als je het waagt, vermoord ik je.’

En zijn hand werd een vuist.

Rino opende zijn ogen.

Ik voel me niet goed. Genoeg! Ik ga weg.

In deze stemming was het toch onmogelijk om iemand te versieren. En hij voelde zich door zoveel verdriet overspoeld dat hij nog als een slapjanus zou gaan janken als hij nu niet in beweging kwam.

Met de doffe blik van een gekooide leeuw nam hij nog een slok alcohol en bleef kijken naar de menigte, die, opgezweept door die ranzigheid, met de armen in de lucht stond te deinen.

Ik heb dorst.

Tegenover hem, aan de andere kant van de zaal, was een lange bar waar bier en mineraalwater werd verkocht.

Hij had nog geld in zijn zak. Alleen leek het een onmogelijke opgave om over dat menselijke tapijt te lopen.

Het blonde meisje stond tussen de samendrommende menigte voor de bar. Nu kon hij haar beter zien.

Ze is het echt...

Rino herkende dat magere modellenlichaam, die hals... En hij meende zich ook nog die witte jurk te herinneren, die als een lange koker om haar lichaam zat en haar rug onbedekt liet.

Zijn hart bonkte in zijn borst alsof hij een spook had gezien. Hij liet een alcoholboer en leunde, happend naar adem, scheef tegen de pilaar, alsof hij een dreun in zijn gezicht had gekregen. Hij kon niet meer op zijn benen staan.

Irina!

Hoe is dat mogelijk! Wat doet zij hier?! Ze is gek geworden. Ik had haar gezegd dat ik haar zou vermoorden als ze zou terugkomen.

En toch was zij het. Dezelfde lengte. Hetzelfde haar. Dezelfde bewegingen.

Hij kon het niet geloven. Niet één keer in al die twaalf jaar had hij gedacht aan de mogelijkheid dat hij haar zou terugzien.

Op een morgen was hij halfdronken wakker geworden. Cristiano huilde in de wieg. Irina was er niet. Haar spullen waren er niet meer. Ze was vertrokken.

En wat doet ze nu hier? Ze wil Cristiano meenemen. Waarom is ze anders gekomen?

Een brok sloot zijn luchtpijp af. Met gebogen hoofd en elleboogstoten wrong hij zich door de menigte, naar het blonde hoofd aan de overkant van de zaal. Hij zag het korte haar en de knokige schouders. Zij was het. Ze was geen spatje ouder geworden.

Nu moest hij haar bij haar pols pakken en in haar oor fluisteren: ‘Verrassing! Ik heb je gezien!’ En haar mee naar buiten sleuren. Nog een paar meter.

Zijn hart klopte in een waanzinnig ritme. Hij strekte een hand uit en op dat moment draaide Irina haar hoofd om en...

Tering!

... het was iemand anders.

Rino voelde iets raars, iets wat leek op teleurstelling. Alsof...

Alsof niets.

Ze was het niet.

==

==

45.

==

Cristiano werd wakker voor de televisie. Een kerel sneed met een mes in een coca-cola blikje.

Cristiano stond op en liep naar het raam. De bestelbus was weg.

Hij is uit.

Hij piste in de gootsteen. Vervolgens draaide hij de kraan open en dronk.

Hij liep terug naar de woonkamer, ging voor de televisie zitten en begon te zappen met de bezemsteel. Op een regionale zender trof hij Antonella aan, een bleke roodharige met een tatoeage van een adelaar op haar schouder, die zich uitkleedde en aan de telefoon zat, waarbij ze allerlei rare gezichten trok. Het kostte haar minstens tien minuten om te besluiten of ze haar beha zou uittrekken. In dat tempo zou het tot morgenochtend duren voordat ze haar slipje uit had. En trouwens, met al die nummers en teksten op het scherm viel er niets te zien.

Hij zou zich kunnen aftrekken.

Hij stelde zich voor dat de roodharige de woonkamer binnenkwam. Ze droeg een strak blauw shirtje tot boven haar navel en daaronder was ze naakt. Ze droeg zwarte puntschoenen met hoge hakken. En tussen haar benen had ze een blondachtig streepje. Ze ging met gespreide benen op een stoel zitten en een zonnestraal die door het raam scheen verlichtte haar wijd open kut als een zeevrucht... En intussen babbelde ze rustig met hem over het huiswerk.

In zijn oren klonk de astmatische stem van de tv, die alsmaar herhaalde: ‘Toe, bel me... Bel me op... Waar blijf je? Waar wacht je nog op? Bel me... Je hoeft niet verlegen te zijn. Bel me.’ Onder de stem klonk muziek van Eros Ramazzotti die ‘ik ben nog steeds verslingerd aan jou’ zong, en daarna kwam er een heel droevig liedje van een beroemde, oude zanger, wiens naam hij niet wist en die zong ‘als jij hier bij me bent heeft deze kamer geen muren meer maar bomen, eindeloze bomen, als jij hier bij me bent...’

Cristiano had ooit op de radio een Française gehoord die datzelfde liedje zong met zo’n zachte, rustige stem dat hij er bijna van moest huilen. Ze zong het heel gewoon, alsof ze thuis was en het als slaapliedje voor haar baby zong. Misschien was het inderdaad zo gegaan. Haar man had het stiekem opgenomen en vervolgens gezegd dat ze er een plaat van moest maken en zo was ze beroemd geworden.

Hij wist niet waarom, maar dat liedje deed hem denken aan zijn moeder. Hij zag haar voor zich, zittend op het bed met een gitaar in de hand en ze zong een liedje voor hem. Ze had steil, blond haar en ze leek op een vrouw die op Rai Due het programma Een speciaal gezin presenteerde.

Hij was naar de Disco Boom gegaan om de cd te kopen, maar toen hij voor de verkoper stond, had hij uit schaamte niet durven vragen of hij haar kende. Hij wist de naam van de zangeres niet en zelfs niet de titel van het nummer. En het was een te grote afgang om voor hem ‘als jij hier bij me bent’ te zingen...

Hij had opeens geen zin meer om zich af te trekken. Hij zette de tv uit en ging naar boven, naar bed.

==

==

46.

==

Rino Zena werd maaiend met zijn armen in het donker wakker.

Hij viel uit een vliegtuig. Onder hem was een zwarte vlakte van asfalt. Happend naar adem kwam hij tot het besef dat het maar een droom was, en dat die voorbij was.

Het was donker. Hij had een zurige whiskysmaak in zijn mond, zijn tong was dik, alsof er een wesp in had gestoken, en hij had een gruwelijke hoofdpijn. Uit de muffe stank van sigaretten en vochtig tapijt maakte hij op dat hij in zijn eigen slaapkamer op zijn eigen matras lag.

Hij strekte een hand uit op zoek naar het lichtknopje en raakte een lichaam aan dat naast hem lag. Eerst dacht hij dat het Cristiano was. Tot een paar jaar geleden mocht die bij hem slapen als hij naar had gedroomd.

Hij knipte het licht aan en toen hij eindelijk zijn ogen kon openen, zag hij de blondine van het popconcert. Degene van wie hij had gedacht dat het Irina was. Ze lag met gespreide armen te slapen. Mond wijd open. Ze was naakt, behalve een omlaag getrokken beha waaruit twee kleine tieten staken met donkere tepels ter grootte van een muntje van vijftig eurocent.

Toen hij haar beter bekeek, zag hij dat ze niet op Irina leek. Ze had dezelfde melkkleurige huid, dezelfde lange benen en smalle heupen en dezelfde mooie hals. Maar haar gezicht was anders. Deze had een langere, smallere neus en een uitstekende kin. En ze was hooguit vijfentwintig.

Hoe is ze hier terechtgekomen?

Rino probeerde in gedachten terug te gaan naar het popconcert. Hij herinnerde zich nog dat hij naar de andere kant van de zaal was gelopen omdat hij zeker wist dat het Irina was en dat hij vervolgens had gemerkt dat zij het niet was.

Daarna niets meer.

Duisternis.

Hij moest haar mee naar huis hebben genomen.

Hij raakte zijn snikkel aan. Die voelde pijnlijk.

Hij had haar geneukt.

Een wazig beeld lichtte op in zijn geest. Hij boven en zij onder. Hij hield haar vast bij haar haar.

Toen Rino wilde opstaan om te gaan pissen, zag hij dat er naast de matras, aan de kant van de blondine, een spuit lag met een naald plus een complete wapenrusting van de perfecte junk.

Rino bekeek de armen van het meisje. Ze had piepkleine, gestolde gaatjes met daaromheen een paarsige huid.

Tering, een junk. En ze heeft hier gebruikt, terwijl ik sliep, met Cristiano in de andere kamer.

Rino pakte haar bij haar nek vast, trok haar omhoog van de matras en stopte toen zijn hand tussen haar billen alsof hij haar met zijn vingers wilde penetreren, maar nee, hij smeet haar als een zak aardappels weg. Ze sperde haar mond open en had niet eens de tijd om wakker te worden, te schreeuwen, iets te doen, want ze stuiterde tegen de deur van de wandkast en smakte in een hoek van de kamer op de grond.

‘Jezus!’ schreeuwde ze, terwijl ze in doodsangst bij bewustzijn kwam. Ze klemde een arm om haar hals en strekte de andere naar voren in een poging zichzelf te beschermen, vervolgens ging ze op haar knieën zitten en begon op handen en voeten door de kamer te schuifelen.

‘Ga weg, stuk stront! Je hebt gebruikt! In mijn huis!’ Rino gaf haar een schop tegen haar kont waardoor haar benen omhoog vlogen. De junk boog voorover en haar gezicht schuurde over de vloerbedekking. Toen zag ze twee centimeter van haar neus het pistool op de vloer liggen.

Naakt en des duivels wierp Rino zich naar voren om het wapen weg te pakken, maar de junk greep het vliegensvlug, hield het met beide handen stevig vast en schoof achteruit naar een hoek. ‘Niet dichterbij komen, godvergeten klootzak! Ik vermoord je. Ik zweer het, ik vermoord je.’ Ze hijgde en haar ogen waren wijd opengesperd. Toen leek ze te focussen op haar omgeving: de vlag met het hakenkruis tegen de muur, die complete psychopaat met al die tatoeages die haar wilde vermoorden. ‘Vuile nazi, je bent dood!’ En ze schoot op hem.

‘Trut! Hij is niet geladen.’ Rino schudde zijn hoofd. Hij strekte zijn rechterarm uit, spreidde zijn hand en zette een stap in haar richting, maar stapte op de spuit en de naald stak in zijn voetzool. Hij stootte een kreet uit en begon met zijn voet in zijn handen rond te springen.

Het meisje zag haar kans schoon en rende rechtstreeks naar de deur.

Rino pakte een glazen asbak vol peuken en gooide die als een frisbee naar haar toe. Hij raakte haar op de rug. Kermend klapte ze voorover, liet het pistool vallen en slaagde erin te ontsnappen.

==

==

47.

==

Cristiano Zena was wakker geworden van het krankzinnige geschreeuw van een vrouw.

Papa is bezig een van zijn snollen te neu— Hij kon zijn gedachte niet afmaken omdat er iemand krijsend zijn kamer binnen kwam rennen.

Ook Cristiano krijste. Hij knipte het licht aan.

Het was een naakte, doodsbange vrouw die tegen de muren bonkte als een zwaluw die per ongeluk door het raam was binnengevlogen.

Rino kwam naakt de kamer binnen. Hij had de kleren en de tas van de vrouw in zijn hand en in de andere hand haar zwarte puntlaarzen. Zijn ogen waren spleetjes en zijn kaken trilden van woede.

Hij gaat haar vermoorden, dacht Cristiano, met zijn handen in het haar.

Maar Rino smeet de kleren in haar gezicht. ‘Eruit, stomme trut.’

De vrouw raapte de kleren op en wilde vluchten, maar durfde niet langs Rino te lopen.

Ten slotte, met haar kleren stijf tussen haar armen, nam ze de beslissing. Ze rende naar de deur en kreeg een trap tegen haar kont van Rino. Ze struikelde en belandde languit in de gang. Cristiano hoorde haar halsoverkop de trap af rennen en de voordeur dichtgooien.

Zijn vader liep naar het raam. ‘Opgeruimd staat netjes. Die komt niet meer terug.’

Cristiano krulde zich op onder de dekens. ‘Wat is er gebeurd?’

Rino liep naar het bed. ‘Niets. Gewoon een trut. Ga maar slapen. Welterusten.’ En hij ging terug naar zijn slaapkamer.

II
Zaterdag

48.

==

Op zaterdag was er geen school en kon je lang uitslapen.

Het was half twaalf toen Cristiano Zena zijn hoofd boven de dekens uit stak.

Rond één uur zou Trecca komen. Nog net genoeg tijd om zich te wassen en te ontbijten.

Hij had honger als een paard. Het liefst zou hij een hele kip met botjes en al verorberen. Bij de gedachte alleen al begon zijn maag luid te knorren.

Maar hij moest het doen met brood en jam.

Hij wreef zijn ogen uit en keek gapend uit het raam, en hij moest lachen bij de gedachte aan die arme meid, die poedelnaakt met een voetafdruk op haar bil uit het huis was gevlucht.

Die middag zou hij wel motoren willen gaan kijken in de showroom. Hij kon aan Quattro Formaggi vragen of die mee wilde.

Hij kleedde zich aan en ging naar beneden. De televisie stond op mtv.

Rino was in de keuken en al helemaal klaar voor het bezoek van de maatschappelijk werker. Telkens wanneer hij hem zo opgedirkt zag alsof hij naar een trouwerij ging, moest Cristiano lachen. Hij leek wel een etalagepop. Lichtblauw overhemd. Stropdas. Donkerblauwe broek. Lage schoenen met veters

‘Kijk daar eens!’ Zijn vader wees naar de formica keukenplank.

Er lag een slagerszakje met daarop een stuk of tien plakken mortadella, een bord met een flink stuk verse stracchino en een brood. Het rook naar koffie. En uit het ovendeurtje ontsnapte een aangename warmte.

Een broodje mortadella met stracchino was volgens Cristiano het lekkerste broodje van de wereld (gevolgd door een broodje mozzarella met rauwe ham), en als ontbijt was er was niets heerlijker dan dát, met een kop koffie met melk.

Wat was er aan de hand? Het was geen Kerstmis en hij was ook niet jarig.

‘Ik ben vroeg opgestaan en heb wat boodschappen gedaan. Eet maar.’

Dat liet Cristiano zich geen twee keer zeggen. Zwijgend stilden ze hun honger, genietend van elke hap, waarbij Rino het broodje ver van zich af hield uit angst dat zijn overhemd vies zou worden.

==

==

49.

==

Beppe Trecca reed met zijn Ford Puma door de straten van Varrano en luisterde naar een cd met een mix van dolfijnengeluiden en pianoklanken. Die lag te koop bij het wegrestaurant, want volgens de beschrijving op het hoesje was deze muziek speciaal geschikt om yoga op te doen, of je te ontspannen na een zware werkdag, maar de schrille kreten van die dolfijnen ontspanden hem helemaal niet, vooral niet na een slapeloze nacht.

Hij zette de muziek af, stond stil bij het stoplicht en terwijl hij wachtte op groen, opende hij zijn koffertje. Daar zat een fles Ballantine’s in. Hij keek om zich heen, pakte de fles, nam er een slok uit en stopte hem terug in het koffertje.

Hij reed verder en reciteerde met ernstige stem: ‘Sommige mensen zien de dingen zoals ze zijn en zeggen: waarom? Ik droom van dingen die nooit hebben bestaan en zeg: waarom niet?’

Deze uitspraak van George Bernard Shaw, die hij had gevonden in Het grote boek der aforismen, was geknipt als opening van de studiebijeenkomst getiteld De jeugd als motor om de maatschappij te veranderen mee te openen, die hij die middag had georganiseerd voor de vrijwilligers van de parochie.

Hij wist niet precies wat de uitspraak te maken had met het seminar, maar hij klonk goed.

Beppe Trecca was vijfendertig jaar en geboren in Ariccia, een stadje ten zuiden van Rome, en was naar Varrano verhuisd toen hij een baan als maatschappelijk werker had gekregen.

Hij was één meter zeventig lang. De laatste dagen was hij afgevallen en omdat hij toch al mager was, leek hij met die twee kilo minder tanig en benig als een zeepaardje. Op zijn hoofd groeide een bal van asblond haar dat zelfs tegen de sterkste gels in opstand kwam.

Hij droeg een donkerblauw pak, een wit overhemd en een streepjesdas. Gele bretels hielden zijn te wijde broek op zijn plaats.

Hij droeg dit soort kleren sinds hij een boek had gelezen met de titel Jezus als manager.

Het ging over een zekere Bob Briner, een geniale zakenman uit de vs, die langdurig de evangeliën had bestudeerd in een poging meer inzicht te krijgen in hoe Christus, behalve de Zoon van Onze Heer, zo’n uitzonderlijke manager was geworden. De opbouw van een belangrijk project, de keuze van zijn medewerkers (de twaalf apostelen), het afwijzen van elke vorm van corruptie en de goede relaties met het volk van Palestina, waren allemaal krachtige wapens geweest om van hem de grootste ondernemer aller tijden te maken.

Naar aanleiding daarvan was Trecca op het idee gekomen om zijn werk niet te benaderen als maatschappelijk werker, maar als manager, en dus moest hij zich ook kleden als een manager.

Hij zette zijn zonnebril af en keek naar de kringen onder zijn ogen. Hij leek wel een wasbeertje.

Hij wist dat vrouwen er iets op smeerden, een crème, misschien moest hij dat ook maar eens kopen.

Ida moest hem nu niet zien. Ook al wist hij zeker dat ze die middag niet bij de bijeenkomst zou zijn, na wat er tussen hen was voorgevallen.

Ida Montanari was de vrouw van Mario Lo Vino, directeur van de Dienst Gemeentelijke Gezondheidszorg van Varrano en misschien de beste vriend van Beppe Trecca.

Misschien, want na wat hij die arme man had aangedaan, wist Beppe niet meer zeker of hij hem als zodanig kon beschouwen.

Hij was verliefd op Mario’s vrouw. Maar verliefd was niet het goede woord; hij ging compleet uit zijn dak van die vrouw.

Dat was niets voor hem. Hij was iemand die hechtte aan waarden als trouw, respect, vriendschap.

Toch was het niet zijn schuld dat Ida, zevenentwintig jaar, in de treurige wereld van het vrijwilligerswerk opviel als een paradijsvogel in een door vogelgriep geteisterd kippenhok.

Het was allemaal begonnen met een onschuldige vriendschap. Ze hadden elkaar via Mario leren kennen. Toen Beppe depressief en gedemotiveerd in Varrano was komen wonen, was hij als een vriend binnengehaald in huize Lo Vino. Hij had ontdekt hoe heerlijk het was deel te hebben aan het gezinsleven, ’s avonds te kaarten onder het genot van een glas wijn. Voor Michele en Daria, hun kinderen, was hij een soort oom geworden. Vorige zomer was hij zelfs met hen mee op vakantie gegaan in de bergen. En daar had hij de ziel van Ida ontdekt. Een vrouw bij wie hij zich goed voelde en die hem het leven van de mooiste kant liet zien. En die hem bovenal een licht gevoel gaf. Er waren dagen dat ze niet konden stoppen met lachen.

En zij was het geweest die hem had gevraagd haar te helpen met het coördineren van de vrijwilligers van de parochie.

Kortom, het leven lachte hem toe. Totdat God en Satan in eigen persoon een paar dagen geleden tegen hem waren gaan samenspannen.

Die avond was een bijeenkomst met de minderbedeelden zonder duidelijke reden uit de hand gelopen en bleef Beppe alleen met Ida achter in de video-internetruimte. Zelfs pater Marcello, die al vijftien jaar lang was vergroeid met de parochie, was pizza gaan eten met een groep alcoholisten.

En toen had de Boze ingegrepen, zich meester gemaakt van zijn tong en kaken, en in zijn plaats gesproken. ‘Ida, ik heb een heel interessante video over het vrijwilligerswerk in Ethiopië. Die zou ik je graag willen laten zien. Hij is echt de moeite waard. Volgens mij doen die jongens daar schitterend werk.’

Beppe Trecca stond te wachten voor het stoplicht en sloeg zich tegen het voorhoofd. ‘Voor’ klap ‘een’ klap ‘video’ klap ‘over de kindertjes in Afrika. Schaam je!’

Hij moest ophouden, want twee jongens op een grote scooter zaten bezorgd naar hem te kijken.

Hij glimlachte gegeneerd, draaide het raampje omlaag en zei: ‘Jongens... Niets aan de hand... Gedachten... Alleen maar gedachten...’

Ida had op haar horloge gekeken en geglimlacht. ‘Mario en de kinderen eten bij oma Eva. Waarom ook niet?’

‘Vervloekte oma!’ En met piepende banden reed Beppe de rijksweg op.

Hij had de band in de videorecorder gestopt, die het meestal niet, maar uitgerekend die avond om onverklaarbare redenen heel goed deed, en de band was gaan lopen.

Aan de ene kant zij tweeën, naast elkaar in het donker op een kunstleren bank. Aan de andere kant de kindertjes met hun door honger en dysenterie opgezwollen buikjes.

Zij zat keurig met haar armen en benen over elkaar geslagen, maar opeens was ze achteruit geschoven en had ze zonder er de aandacht op te vestigen haar hand op een paar centimeter afstand van zijn bovenbeen gelegd. En terwijl hij naar de televisie bleef staren, had hij onmerkbaar, maar volhardend als de wortels van een wilde vijgenboom, zijn benen iets gespreid totdat hij de knokkels van haar hand voelde die tegen de stof van zijn broek wreven.

Hij had zich omgedraaid en haar met de vastberadenheid van een islamitische zelfmoordenaar gekust.

En hij vergat Mario Lo Vino, de onschuldige Michele en Daria, hij vergat alle avonden dat hij daar was gevoed, binnengelaten, ontvangen als een vriend, sterker nog, als een broer.

En zij? Wat had zij gedaan? Ze had zich laten kussen. Althans in het begin. Beppe kon nog de afdruk van haar lippen op de zijne voelen. De smaak van xylitol-kauwgom. Dat vluchtige maar onmiskenbare contact met haar zachte, vloeibare tong.

Maar toen was Ida opgeschoven, had hem weggeduwd en met een rood hoofd gezegd: ‘Ben je gek geworden?! Waar ben je mee bezig?!’ En als een verontwaardigd vrouwtje uit een flutromannetje was ze weggerend.

De volgende dag had ze zich niet in de parochie vertoond, en ook niet de dag daarop.

En in de tussentijd had Beppe in wanhoop geleden, zoals hem nog nooit in zijn leven was overkomen. Het was een fysieke pijn. Vooral in zijn ingewanden. Zelfs zijn spastisch darm was teruggekeerd.

Hij had ontdekt dat hij zijn passie voor Ida als een geslachtsziekte had verdrongen.

Hij had overwogen zijn hart uit te storten bij zijn nichtje Luisa. Haar om hulp te vragen. Maar hij schaamde zich te erg. En dus had hij eenzaam, verward, zonder zelfs de troost van een bevriende stem, in stilte zijn leed gedragen, in de hoop dat die ziekte vanzelf zou overgaan, dat zijn organisme immuun zou worden voor dat duivelse virus.

Het was niet gelukt. Hij sliep niet meer en was gaan drinken om te vergeten. Niet te geloven. Hij had zichzelf vervloekt dat hij zich zo had gedragen, maar hij was zichzelf ook blijven voorhouden dat het contact met haar tong er wel degelijk was geweest. Zo was het. Geen discussie over mogelijk. Als zij het echt niet had gewild, had ze niet toegestaan dat hij zijn tong in haar mond duwde. Toch?

Om vijf uur drieënveertig die morgen had hij haar een sms gestuurd. De tekst waarover hij de hele nacht had nagedacht, luidde:

==

vergeef me. L

==

Meer niet. Simpel. Bondig. Natuurlijk had ze niet geantwoord.

De maatschappelijk werker stopte voor het huis van Rino Zena, pakte zijn koffertje en stapte uit de Puma.

Maar nu moet ik ophouden, persoonlijke problemen mogen niet vermengd worden met werk, zei hij tegen zichzelf, terwijl hij over de plassen sprong om zijn schoenen niet vies te maken. Hij wilde net aanbellen, toen zijn mobieltje tweemaal trilde.

Er ging een schok door Trecca’s lichaam, alsof er een defibrillator op zijn borst werd gedrukt.

Hij verstijfde en haalde met ingehouden adem het mobieltje uit zijn zak. Naast het envelopje op het display stond: ida.

Hij sloot zijn ogen en drukte op de toets om het bericht te openen.

==

voor wat? het was heerlijk.

kunnen we elkaar morgen zien?

regel jij maar wat. J

==

De sloerie! Ze vond het dus leuk!

Hij klemde zijn kaken op elkaar, boog zijn knieën en zei met opgeheven vuist: ‘Yes!!!’

En belde aan.

==

==

50.

==

‘Wat een weer, hè jongens? En, hoe is het hier?’ Beppe Trecca ging naast Rino zitten, legde zijn koffertje op zijn knieën en wreef zich tevreden in de handen.

‘Hier gaat alles goed. Ik ben aan ’t winnen,’ antwoordde Cristiano, terwijl hij de dobbelstenen gooide en hem aankeek.

Hij was anders. Hij was opgewonden, maar hij leek toch magerder dan de vorige keer, alsof hij ziek was, bovendien lagen zijn ogen diep in de kassen en had hij kringen, alsof hij niet had geslapen.

‘Geweldig! Geweldig! Dus jullie houden van monopolie, zo te zien?’

Sinds Beppe hen had berispt dat ze niet genoeg samen speelden (het spel bevordert een nauwere en intiemere vader-zoonrelatie), voerden ze telkens wanneer hij kwam dit toneelstukje op.

Ook Rino wierp de dobbelstenen en glimlachte spottend. ‘Ja, nou en of. Het is lekker om al dat geld in je handen te hebben.’

Af en toe irriteerde het Cristiano dat zijn vader zo rustig kon blijven tijdens Trecca’s bezoekjes. Je herkende hem bijna niet meer. Hij haatte die maatschappelijk werker, hij had hem graag overhoop gereden met zijn auto, en toch zat er een gemaakt glimlachje op zijn lippen geplakt en gaf hij als een lord beleefd antwoord. Wat een bovenmenselijke inspanning moest het hem kosten om niet te ontploffen en hem bij zijn stropdas te grijpen en zijn smoel te breken met kopstoten... Na een tijdje begon Cristiano zich echter zorgen te maken, want hij zag dat hij blauw aanliep, lucht opslokte en zijn handen om de tafelrand klemde alsof hij die wilde breken, en dus moest hij iets zien te bedenken om de maatschappelijk werker de deur uit te werken.

Beppe opende het koffertje en haalde er een aantal formulieren uit. ‘Rino, dit is een vragenformulier. Ik wil graag dat je dat invult.’

‘Wat is het?’ vroeg Rino achterdochtig.

‘Het drama met alcoholverslaving is dat degene die problemen heeft met deze maatschappelijke plaag, diezelfde problemen ontkent. Een alcoholist kan heel makkelijk liegen, ook tegen zichzelf. En weet je waarom, Rino? Dat komt door het negatieve stempel dat rust op problemen die te maken hebben met alcoholmisbruik. En dat draagt bij aan de ontkenning. Ik hoef je niet nog een keer te vertellen hoe schadelijk de gevolgen van alcohol zijn voor je hele organisme. Of over de negatieve gevolgen die drankmisbruik kan hebben voor gezin, werk en sociale contacten.’

Cristiano was zenuwachtig. Die vent zocht gewoon een smoes om hem naar een kindertehuis te sturen. En hem van zijn vader te scheiden. Twee dagen geleden was hij hem tegengekomen op de Corso en had Trecca hem amper gegroet, alsof hij iets te verbergen had. En nu had hij dat vragenformulier tevoorschijn gehaald. Alles leek in elkaar te passen.

De maatschappelijk werker glimlachte. ‘Luister, Rino, ik overweeg serieus de mogelijkheid om jou te laten deelnemen aan een seminar dat ik ga houden over de maatschappelijke schade als gevolg van alcoholisme, dus vul dit formulier alsjeblieft zorgvuldig in. Ik weet dat je een zware drinker bent, dat hoef je voor mij niet verborgen te houden. Sterker nog, we moeten vandaag nog iets doen. Een symbolisch gebaar naar je zoon.’ Hij opende opnieuw het koffertje en haalde er ditmaal de halfvolle fles Balantine’s uit. ‘Cristiano, wil jij alsjeblief twee glazen brengen?’

Cristiano rende naar de keuken en kwam terug met twee glazen.

‘Dank je.’ In één glas schonk Beppe een bodempje whisky en gaf dat aan Rino, vervolgens vulde hij het andere glas tot over de helft en hield dat zelf vast. ‘Dit is het laatste glas alcohol dat jij drinkt tot aan onze volgende afspraak. Goed? Dit is een belofte? Begrepen?’

‘Oké,’ antwoordde Rino als een tinnen soldaatje.

De maatschappelijk werker hief zijn glas op en leegde het in één slok. Rino deed hetzelfde.

‘Aaahhh...’ Trecca’s mond vertrok en hij veegde hem af met de rug van zijn hand. Vervolgens trok hij zijn stropdas recht. ‘Jongens, mag ik even van het toilet gebruik maken?’

‘Natuurlijk,’ zeiden Cristiano en Rino opgelucht.

De maatschappelijk werker sloot zich op in de wc.

‘Wat heeft hij vandaag? Heb je dat gezien? Hij dronk een heel glas whisky...’ fluisterde Rino.

Cristiano haalde zijn schouders op. ‘Geen idee...’

==

==

51.

==

Beppe Trecca sloot zich op in de wc en waste zijn gezicht.

Hij wist niet eens wat hij zei toen hij met de Zena’s praatte. Hij kon aan niets anders denken dan aan Ida’s lippen, donkerrood als rijpe kersen, de v tussen haar borsten die altijd boven haar jurkjes zichtbaar was, en die grote reeënogen die haar op Meg Ryan deden lijken. En vooral aan waar ze elkaar in ’s hemelsnaam konden ontmoeten.

Hij keek in de spiegel en schudde zijn hoofd.

Ik ben zo bleek, misschien moet ik onder de hoogtezon.

Bij hem thuis kon niet. Te riskant. In een hotel evenmin. Te vunzig. Hij moest een speciale plek verzinnen, iets romantisch...

Opeens wist hij het.

Natuurlijk! De camper van de man van mijn nichtje.

Hij pakte zijn mobieltje en toetste haastig:

==

perfect!

we zien elkaar morgen rond 22 uur

op camping bahamas.

==

Bijna wilde hij het sms’je versturen, toen hij zich bedacht en er huiverend aan toevoegde:

==

hou van je. J

==

==

52.

==

Die middag nam Cristiano Zena de bus en ging een uitstapje maken.

Hij had geen plannen en had in totaal drie euro op zak, maar op zaterdag kon je nu eenmaal niet thuisblijven.

Na het eten had hij geprobeerd Quattro Formaggi te bellen om te vragen of die zin had om samen met hem naar motoren te gaan kijken, maar zoals gewoonlijk stond zijn gsm uit.

Hij was waarschijnlijk naar de kerk.

Toen de busdeuren puffend opengingen en Cristiano op de stoep stapte was het net vier uur, maar de nacht strekte zich al uit over de vlakte. Tussen hemel en aarde bleef slechts een zalmkleurig streepje over. Uit het oosten stak een snijdende wind op en de cipressen op de middenberm van de rijksweg bogen naar één kant over. De lange reclamedoeken die onder de voetgangersbrug hingen klapperden als slappe zeilen.

Voor Cristiano strekte zich anderhalve kilometer magazijnen, groothandels, detailhandels, outlets, autowasserijen, dumpstores, gekleurde verlichting, borden die aanbiedingen en prijsverlagingen pulseerden, uit. Er was zelfs een moskee.

Links, achter het gebouwtje van de Schoenenkathedraal, tussen de rookwolken die afkomstig waren van de straatventers van worst en porchetta, verhieven zich de imposante muren van winkelcentrum De Vier Schoorstenen. Iets verderop de glazen kubus van de Mediastore, en aan de overkant van de weg de grote dealer van Opel-General Motors met rijen nieuwe auto’s en een grote showroom met reclamevlaggen van mega-aanbiedingen. En dan ook nog de parkeerplaats van de Multiplex-hal naast het huisje van McDonald’s.

In het midden van de rotonde, waarop nog twee lange, rechte straten uitkwamen, had de oude beeldhouwer Callisto Arabuia zijn laatste werk opgericht: een enorm bronzen beeld van een kegelvormige, ronddraaiende kerstcake die waterstraaltjes in een bak sproeide.

Cristiano liep naar het winkelcentrum. De vier torens op de hoeken van het gebouw waren op heldere dagen op kilometers afstand zichtbaar. Er werd gezegd dat ze een halve meter hoger waren dan de klokkentoren van de San Marco in Venetië. Voor één euro kon je met een lift naar de top van toren nummer drie. En vandaar zag je de Forgese naar zee slingeren, en alle piepkleine gehuchten en dorpjes die als roodvonk de vlakte spikkelden.

Het winkelcentrum was een immens blok, nog groter dan een vliegtuighangar, hemelsblauw en zonder ramen, halverwege de jaren negentig gebouwd.

Die dag hadden ze ter ere van de kortingsmaand geelblauwe luchtballonnen aan de torens opgehangen, waarop stond: in de vier schoorstenen is goed kopen goedkoop. Om het hele gebouw heen strekte zich een terrein van asfalt uit dat bedekt was met duizenden auto’s.

De mensen kwamen van heinde en verre naar De Vier Schoorstenen. Het was het grootste winkelcentrum binnen een straal van honderden kilometers. Honderdduizend vierkante meter, verdeeld over drie verdiepingen en twee tussenverdiepingen. Met een ondergrondse parkeerplaats voor drieduizend auto’s. De begane grond werd helemaal in beslag genomen door de mega-supermarkt Coral Reef, waar je je grote boodschappen kon doen en een krat bier voor minder dan tien euro mee naar huis kon nemen. De rest werd in beslag genomen door winkels. Je kon er alles vinden wat je wilde: een geldautomaat van de Monte dei Paschi, een verkooppunt van Vodafone en Tim, een postkantoor, kinderopvang, kleding- en schoenenwinkels, drie kappers, vier pizzeria’s, een wijnlokaal, een Chinees restaurant, een Ierse pub, een speelhal, een dierenwinkel, een sportschool, een medisch laboratorium en een solarium. Alleen een boekwinkel ontbrak.

In het midden van de eerste verdieping was een grote, ovale ruimte met een bootvormige fontein en een marmeren trap die naar de tweede verdieping voerde. In de verbeelding van de architect was dit een surrealistische weergave van Piazza di Spagna in Rome.

Kromgebogen, om zich te beschermen tegen de ijzige wind, liep Cristiano de parkeerplaats over. Het was er een drukte van belang, omdat het de eerste dag was van een lange maand vol speciale aanbiedingen.

Een eindeloze rij auto’s stond stil voor de slagbomen van de parkeerplaats en een rivier van mensen hoopte zich op bij de ingangen. Gezinnen kwamen naar buiten met volgeladen winkelkarretjes, moeders met als astronauten ingepakte baby’s in wandelwagentjes, groepen pubers op brommers die tussen de auto’s door reden, mensen die ruzie maakten om parkeerplaatsen, touringcars die hordes bejaarden uitspuugden. In een hoek van de parkeerplaats hadden ze zelfs een kleine kermis opgezet, inclusief botsautootjes en schiettent.

Uit de luidsprekers bij de toegangsdeuren klonk harde, vervormde muziek.

Cristiano keek achter de rij vuilnisbakken, waar Fabiana Ponticelli en Esmeralda Guerra ’s zomers meestal met hun groepje rondhingen en ’s winters hun brommers parkeerden.

De Scarabeo met de smiley stond er, vastgeketend aan de motor van Tekken.

Zijn hart begon sneller te kloppen.

Hij bekeek de motor. Hij vond het moeilijk om toe te geven, maar die klootzak had wel een prachtig exemplaar. Hij had de banden verwisseld en er circuitbanden op gezet om goed wendbaar te zijn in het verkeer. Hij zag ook dat de uitlaat niet origineel was. Wie weet hoeveel hij had moeten uitgeven om die te verwisselen. Maar dat was geen probleem. Tekkens vader was een grote jongen bij Biolumex, de lampenfabriek vlak bij San Rocco, en dus had hij van jongs af aan alleen maar hoeven piepen om iets van zijn ouders gedaan te krijgen.

Cristiano kon zich niet verzetten tegen de afgunst die brandde in zijn ingewanden. Maar toen zei hij tegen zichzelf dat vaderskindjes worden geboren met een gouden lepeltje in hun mond, maar janken als wijven zodra er moeilijkheden komen.

Als er bijvoorbeeld een aardbeving komt die alles verwoest, weet Tekken niet wat hij moet doen, dan is hij wanhopig omdat hij niets meer heeft en zal hij zich aan de eerste de beste boom ophangen. Maar ik niet, want ik raak dan niks kwijt.

Het zou leuk zijn als er een aardbeving kwam.

Vervolgens sprak hij zichzelf moed in door te bedenken dat de groten der aarde zich altijd in hun eentje een weg door de stront moeten banen. Kijk maar naar Eminem, of Hitler, of Christian Vieri.

Hij mengde zich in de mensenstroom die het winkelcentrum binnenging.

Binnen was het heel warm. Aan de kant stonden overal meisjes in minirok en kort jasje, die je reclamefolders voor telefoontarieven en kortingsbonnen voor de sportschool en het solarium in handen drukten. Er had zich een oploopje gevormd rondom een man die met een plastic voorwerp wortels en courgettes sneed.

Zoals altijd bleef Cristiano staan voor Mobielland, de gsm-winkel.

Wat wilde hij graag een mobieltje hebben.

Hij was waarschijnlijk de enige op de hele school die er geen had.

‘Ben je dan niet trots dat je anders bent dan de anderen?’ Dat had zijn vader geantwoord toen hij hem erop attent maakte.

‘Nee. Ik ben niet trots. Ik wil er ook een.’

Hij liep langs een elektronicawinkel waar opzienbarende aanbiedingen van beeldschermen en pc’s werden getoond. Maar daar bleef hij niet lang staan. Hij werd voortgeduwd door ruggen, buiken, hij werd verdoofd door gestifte lippen die in zijn oren tetterden, verstikt door wolken parfum en aftershave, verblind door geverfde haren.

Wat was hij in godsnaam komen doen in dit gekkenhuis?

Hij bereikte pub De Elektrische Beer en keek naar binnen om te zien of Danilo daar misschien was.

De pub was zwak verlicht door gedempte lampen en rond de tafeltjes zaten donkere figuren. Ook bij de bar wemelde het van de mensen op krukken. Op drie plasmaschermen werd een worstelwedstrijd uitgezonden. De muziek was oorverdovend. En telkens wanneer iemand een fooi gaf, sloeg het personeel tegen een bel.

Van Danilo geen spoor.

Cristiano ging weer naar buiten en kocht met de drie euro die hij op zak had een stuk pizza met salami en champignons. Hij besloot dat hij een snel rondje zou maken, zonder stil te staan voor de etalages.

Terwijl de massa, die zich als één hoop verplaatste over galerij b, hem meesleurde, botste hij bijna tegen Fabiana Ponticelli op.

Hij miste haar op een haar na. Hij hoorde Esmeralda zeggen: ‘Hier! Hier!’

Als twee kleurige narren schoten ze uit de menigte tevoorschijn onder het uitstoten van vreugdekreten. Ze sprongen. Ze duwden en werden geduwd door wie hun voor de voeten liep. Ze incasseerden allerlei verwensingen, maar hoorden die niet eens. Als bezeten door een domme demon.

Hij probeerde hen onopgemerkt te volgen en niet uit het oog te verliezen. Plotseling wees Fabiana naar een kledingwinkel, en grijnzend vlogen zij en Esmeralda er hand in hand naar binnen. Cristiano liep naar de etalage.

Uit de rekken trokken ze rokken, truien en shirtjes, keken er even naar en stopten de kleren vervolgens als proppen terug tussen de keurige stapeltjes. Maar af en toe bleven ze staan en keken naar de muren en het plafond.

Eerst snapte Cristiano er niets van, maar opeens zag hij wat ze deden.

De bewakingscamera’s.

Zodra ze uit het zicht van de camera’s waren, zorgde de één voor opschudding waarmee ze aandacht op zich vestigde, terwijl de ander snel de spullen in de tas stopte.

Hij zag dat Fabiana met de tas een pashokje binnenging, terwijl Esmeralda voor het gordijn de wacht hield en deed alsof ze een jas paste. Toen er een verkoopster kwam die woedend was door de rommel die ze hadden gemaakt, toverde ze een onschuldig glimlachje tevoorschijn en begon zich uitvoerig te excuseren, terwijl ze de verkoopster meevoerde naar een ander gedeelte van de winkel.

Cristiano had er zijn hand voor in het vuur durven steken dat Fabiana in het pashokje met een nijptang de antidiefstal-plakkaten van de kleren knipte.

Toen ze weer tevoorschijn kwam, gaf ze Esmeralda een seintje en verlieten ze samen met een uitpuilende tas rustig de winkel en losten op in de mensenmassa.

Ze waren goed. Jezus, wat waren ze goed.

Hij niet, hij was een kluns als het op stelen aankwam.

Hij deed er tweeduizend jaar over om iets te kiezen, en de enige reden waarom de verkoopsters hem niet konden pakken was omdat ze te sloom waren. Maar uiteindelijk stal hij alleen nutteloze dingen. Een paar Adidas sneakers die te klein waren. Een andere keer een Playstation joypad die nergens voor diende als je de console niet had.

De ergste ervaring was geweest toen hij had besloten om Frietje te jatten, de fret in de dierenwinkel.

Hij was op slag verliefd op dat harige diertje. Het had een muizenkopje, maar oren zo groot als van een beer en twee inktvlekken in plaats van ogen. Zijn vacht had de kleur van koffie met melk en zijn staart was net een verfkwast. Hij lag, neergeploft op een soort hangmatje, te doezelen in een grote kooi. Op een kaartje stond: tam. En zonder dat de eigenares het zag, had Cristiano de kooi geopend en zijn hand erin gestoken. Frietje had zich op zijn buik laten aaien, met zijn voorpootjes zijn duim vastgepakt en hem met zijn ruwe tongetje gelikt.

Dagenlang was hij naar die winkel gegaan om te vragen wat Frietje kostte (een belachelijk bedrag!), wat hij at, waar hij poepte, of hij lief was, of hij stonk, en uiteindelijk had de eigenares wanhopig tegen hem gezegd: ‘Of je koopt hem, of je verdwijnt.’

Beledigd was Cristiano naar de deur gelopen, maar voordat hij naar buiten liep had hij gezien dat de heks een zakje hondenkoekjes aan een klant verkocht. Hij had de kooi geopend, Frietje in zijn nekvel gepakt en zonder erbij na te denken in zijn broekzak gestopt, en was weggelopen.

Na een paar seconden was het slimme diertje druk gaan bewegen, gaan kronkelen en krabben alsof hij vermoord werd.

Intussen probeerde Cristiano heel nonchalant door het winkelcentrum te lopen, maar het diertje krabde zijn bovenbeen open. Op een gegeven moment hield hij het niet meer uit en was hij als een bezetene gaan schreeuwen en springen tussen de mensenmassa. Hij had een hand in zijn broekzak gestoken, toen hij achter zich een stem had horen schreeuwen: ‘Houd de dief! Houd de dief! Hij heeft mijn fret gestolen! Houd hem tegen!’

De eigenares rende tussen de ontstelde gezichten door achter hem aan. Cristiano had het op een drafje gezet. Toen was het kopje van de fret onder een van de broekspijpen tevoorschijn gekomen. Cristiano was gaan schoppen en het diertje was naar buiten geschoten, was een paar meter door de lucht gevlogen en vervolgens weggevlucht in de richting van de Vodafone-winkel, terwijl Cristiano naar de uitgang rende.

Na die afschuwelijke ervaring had hij zichzelf gezworen nooit meer iets uit een winkel te stelen.

Maar waar waren die twee meisjes intussen gebleven?

Hij liep verder langs de galerij en wierp zoekende blikken in de kleding- en schoenenwinkels.

Op de Piazza di Spagna was het een drukte van belang van mensen die uitrustten aan de tafeltjes van bar De Maan in de Put. Er was een clown met een hoge hoed en een stok, die zich voor drie euro samen met kinderen liet fotograferen. En een blondine in bikini die op een strandbed lag en zichzelf had beplakt met pleisters en gekleurde touwen die haar billen deden trillen.

Daar zijn ze.

Ze zaten op de trap, druk bezig met het keuren van de zojuist gestolen kleren.

Cristiano had eigenlijk weg willen gaan, maar toch bleef hij hijgend voor ze langs lopen en naar ze gluren, zonder dat zij hem ook maar enigszins in de gaten hadden. Hij deed alsof hij een afspraak had en keek nu en dan naar de klok aan de muur.

Over dertig seconden ga ik weg.

Toen de dertig seconden voorbij waren, besloot hij nog eens twintig seconden te wachten. En daar had hij goed aan gedaan, want precies op de achttiende seconde meende hij dat Esmeralda hem riep.

De muziek van de clown was zo hard dat hij niet wist of Esmeralda het tegen hem had.

Toen gebaarden de meisjes dat hij bij hen moest komen.

Cristiano nam uitgebreid de tijd om die vier traptreden op te lopen. Esmeralda strekte een hand uit en gebaarde dat hij moest komen zitten. ‘Hoe is het met je?’

Cristiano had een droge mond en antwoordde met moeite: ‘Goed.’

Esmeralda trok een paars hemdje aan over haar witte bloes. ‘Hoe staat-ie?’

‘Goed.’

‘Alleen maar goed?’ En toen tegen haar vriendin: ‘Zie je wel? Hij staat me niet.’ Ze trok het hemdje uit en gooide het op de grond.

Fabiana keek hem even aan met haar lichte ogen. ‘Wat doe jij hier?’

‘Niets...’

‘Wacht je op iemand?’

‘Nee...’ Toen bedacht hij dat hij zojuist wel degelijk deed alsof hij op iemand wachtte. Hij haalde zijn schouders op. ‘Ja... Maar ik ben te laat.’

Esmeralda haalde een sweater met de S van Superman uit de tas. ‘Je vriendinnetje?’

Veel te snel zei Cristiano: ‘Nee!’

‘Nou, het is helemaal niet erg om een vriendinnetje te hebben, hoor. Ben je soms bang voor meisjes?’

‘Waarom zou ik?’ Bij die twee had hij altijd het gevoel of hij terechtstond wanneer hij praatte. Ter verduidelijking voegde hij eraan toe: ‘Ik heb geen vriendinnetje, dat is alles.’

‘En Angela Baroni dan?’

‘Angela Baroni?’

‘Ja, die houdt er maar niet over op dat ze zo verliefd op je is...’

‘En jij ziet haar niet eens staan. Arm kind. Je bent wel wreed, hoor,’ zei Fabiana plagend.

Angela Baroni zat in drie c. Een klein meisje met lang zwart haar. Hij had nooit gemerkt dat ze hem leuk vond.

‘Die vind ik niet leuk,’ mompelde hij verlegen.

‘En wie vind jij dan wel leuk?’

Cristiano drukte zijn nagels in zijn arm. ‘Niemand.’

Esmeralda legde haar hoofd op zijn schouder. Hij verstijfde, alsof iemand een stok in zijn kont had geschoven. Hij rook de geur van shampoo die hem draaierig maakte, en zij mauwde in zijn oor: ‘Dat is onmogelijk. Jij bent de leukste jongen van de school en jij vindt niemand leuk...’ En ze gaf hem een vluchtig kusje in zijn hals.

Hoewel hij zeker wist dat ze hem in de maling nam, was het een duizelingwekkende, verwarrende sensatie, die hem een heel lang ogenblik verblindde, hem de adem benam en hem kippenvel over zijn hele rug bezorgde.

‘Wat ben jij flauw! Jij kust hem wel en ik niet?’ En Fabiana drukte een kus op zijn mond. Cristiano voelde een tweede schok, misschien nog heftiger dan de eerste, alsof er een mes in zijn borst werd gestoken. Uit zijn keel ontsnapte een ondefinieerbaar geluid.

Het contact met dat zachte vlees was te kort geweest. Heerlijk en pijnlijk. Hij beheerste zich om niet zijn mond met zijn vingers aan te raken, om te voelen of dat kleine beetje vochtigheid er nog steeds op zat.

‘En wij dan?’

‘Vind je ons dan niet leuk?’

Esmeralda zette hem een felgroene, pluchen berenmuts op. Toen begon ze te lachen. ‘Die staat je prachtig.’

Fabiana haalde haar lippenstift tevoorschijn en smeerde die op zijn lippen.

Op dat moment was Cristiano zo in de war en gedesoriënteerd, dat hij zelfs zijn haar had laten wassen door die twee meisjes.

Esmeralda pakte een spiegeltje uit haar tas. ‘Kijk eens hoe mooi je bent!’

Cristiano keek even in het spiegeltje en begon zijn mond af te vegen.

‘Zullen we naar de speelhal gaan?’ zei Esmeralda tegen haar vriendin, en liep weg naar de galerij.

Fabiana sloeg haar armen over elkaar en trok een boos gezicht. ‘Pfff! Wat ben jij saai, zeg! Waarom lach jij nooit? Volgens mij heb je dat van je vader overgenomen.’

Cristiano werd zenuwachtig. Hij hield er niet van om met anderen over zijn vader te praten. ‘Hoezo?’

‘Nou, die ziet er zo eng uit met dat gemillimeterde haar en die tatoeages... Trouwens, vertel eens? Waar heeft hij die eigenlijk laten zetten?’

‘Wat?’

‘Die tatoeages.’

‘Weet ik niet... Bij tatoeëerders.’ Cristiano wist het echt niet, want Rino had het merendeel ervan laten zetten toen hij nog te klein was om het zich te kunnen herinneren, en de recentere ergens in de buurt van Murelle.

‘Ja, dat is duidelijk. Maar waar?’

‘Geen idee. Waarom wil je dat eigenlijk weten?’

‘Ik wil zelf ook een tatoeage.’

‘Waar?’

Ze glimlachte en schudde haar hoofd. ‘Dat zeg ik niet.’

‘Kom op. Waar?’

‘Op een geheim plekje.’

‘Toe nou, vertel.’

‘Dan moet jij me eerst vertellen waar je vader zich heeft laten tatoeëren.’

Hij legde zijn hand op zijn hart. ‘Dat weet ik niet. Ik zweer het.’

‘Ik kan het hem natuurlijk ook zelf vragen. Denk je soms dat ik bang ben? Wil je zien hoe snel ik dat doe?’

Cristiano haalde zijn schouders op. ‘Vraag het hem maar.’

Fabiana stond op, pakte hem bij de hand en trok hem omhoog. ‘Kom mee.’

De speelhal was vol jongens en meisjes. Er waren een paar bekenden van school, maar het merendeel was ouder.

Het was een enorme zaal, met vijf bowlingbanen, een gokspel waarbij je moest korfballen en een groot bord de roos aangaf, hijskranen die pluchen beestjes opvisten en honderden videospelletjes. De muziek was oorverdovend. Het wemelde er van de Filippijnen, Chinezen, kleine kinderen die op een springplank sprongen en ritmisch probeerden te dansen op de aanwijzingen van het videospel. Achterin was een tweede ruimte, waar het donkerder en minder druk was, en waar een biljarttafel en een hele rits pokermachines stonden. Een stuk of tien groene tafels met daarboven gedempt licht en zwarte figuren gewapend met keus eromheen.

Daar was Cristiano nog nooit binnen geweest. Ten eerste omdat er een bord hing waarop stond dat de toegang verboden was voor minderjarigen, ten tweede omdat hij er niemand kende, en ten derde omdat hij niet kon biljarten.

Fabiana lapte het verbod aan haar laars en liep de zaal binnen. Cristiano volgde haar, maar bleef bij de ingang staan toen hij zag dat Tekken er was.

Tekken speelde een dubbel en Esmeralda stoorde hem. Ze tikte tegen de keu wanneer hij stootte, ze kietelde hem en wreef tegen hem aan. Hij deed alsof hij het vervelend vond, maar je kon van een kilometer afstand zien dat hij genoot.

Hij was met nog twee andere jongens. Memmo, een jongen met een tot in de puntjes verzorgd sikje en een paardenstaart, en Nespola, die ervan overtuigd was dat hij op Robbie Williams leek, wat niet waar was.

Op een gegeven moment klom Esmeralda op de biljarttafel en stootte Tekken een biljartbal tussen haar dijen, onder luid gegrinnik van de omstanders.

Cristiano sloot zijn ogen en leunde tegen de muur. Hij kon geen adem halen en voelde nog steeds de druk van de lippen van Esmeralda en Fabiana in zijn hals en op zijn mond.

‘Die rotwijven...’ mompelde hij met zijn hoofd tegen de muur.

Zijn vader had gelijk, zulke meisjes vielen op verwende jochies. Zoals Tekken. Met hun motoren. Hun geld.

En hij, die geen cent had, hij werd alleen maar door ze in de zeik genomen.

Hij voelde iets zuurs branden in zijn maag, alsof hij een fles bleekwater had opgedronken. Hij dacht dat hij moest overgeven.

Een waanzinnige woede benevelde zijn gedachten. Zijn handen jeukten. Hij had zin om die zaal in te gaan, een keu te pakken en die op de kop van die klootzak kapot te slaan. Maar hij draaide zich om en rende, hijgend met open mond, weg. Hij haatte die plek. Die mensen. Die etalages vol zinloze rommel die hij toch nooit zou kunnen kopen.

Hij liep een huishoudwinkel binnen, pakte een lang mes uit een hakblok, verstopte dat onder zijn jack, drong met elleboogstoten door de massa en liep de parkeerplaats op.

Hij rende naar de vuilnisbakken, zag Tekkens motor en sneed met het mes het zadel kapot en de banden lek. Hij wilde net de benzinetank bekrassen, toen hij achter zich hoorde schreeuwen: ‘Hé! Wat ben jij daar verdomme aan het doen?’

Uit angst schoot zijn hart omhoog tussen zijn keelamandelen.

Hij draaide zich om. Iemand met een zwarte helm en een leren jack op een grote Ducati. ‘Rotjoch, ik sla je smoel tot moes!’ schreeuwde de motorrijder terwijl hij zijn motor op de standaard zette.

Cristiano gooide het mes op de grond en rende weg tussen de auto’s, terwijl de motorrijder hem achterna riep: ‘Schijtluis! Het heeft geen zin om te vluchten. Ik weet wel wie je bent! Je zit op de middenschool! We krijgen je toch wel te pakken. Dan zal je wat beleven...’

Hij kwam bij de rijksweg en bleef rennen.

Hij kon zelf niet geloven dat hij zo’n grote stommiteit had begaan. Binnen een paar seconden had hij zichzelf tot over zijn oren in de stront gewerkt.

Van alle stommiteiten die hij had kunnen uithalen, had hij de ergste gekozen. De motor van Tekken bekrassen en zich laten betrappen!

Met gebogen hoofd, oplettend dat hij niet in de plassen trapte, rende hij verder. Zijn milt deed pijn en hij drukte er met een hand op. De rijksweg, de vangrail, de koplampen van de auto’s vloeiden bij elke stap samen en gleden weer uit elkaar.

Onder het hese hijgen van zijn ademhaling hoorde hij alsmaar de bedreigingen van de zwarte motorrijder: ‘Het heeft geen zin om te vluchten! Ik weet wie je bent! Hier zal je voor boeten!’

Hij had het gevoel dat hij in een boze droom terecht was gekomen, dat hij alleen maar hoefde stil te staan, zijn ogen te sluiten en ze weer te openen, en dat hij dan weer in de donkere hoek van de speelhal zou staan waar het rook naar zweet en deodorant.

Het leek wel alsof hij van het ene op het andere moment gek was geworden. Als gehypnotiseerd had hij dat mes gestolen en zich op die motor gestort. Alsof hij een soort black-out had gehad. Toen hij die huishoudwinkel was binnengegaan, had hij niet eens om zich heen gekeken of iemand hem zag.

Hij wist niet hoe het hem lukte om te blijven rennen met al die angst in zijn lichaam. Nog even en de wraak van Tekken zou in al zijn vernietigende en genadeloze hevigheid over hem uitgestort worden.

Die gozer was in staat hem te vermoorden.

Cristiano had hem een keer voor een kroeg een vrachtwagenchauffeur in elkaar zien slaan.

Wat hem vooral was bijgebleven, was de kalmte waarmee hij iemand te lijf ging die minstens twintig kilo zwaarder was dan hijzelf en handen zo groot als varkenskoteletten had. Tekken sprong heupwiegend als een klote merengue-danser om hem heen. En had er plezier in. Haast alsof hij aan het trainen was in de sportschool.

Terwijl de gorilla vloekend met zijn armen zwaaide, had Tekken hem een gerichte schop tegen een knie gegeven en was de reus neergestort. Vervolgens had hij hem bij een oor gegrepen en zijn hoofd opgetild en ‘nee’ met zijn vinger gedaan. ‘Jij bent hier niemand. En je moet niet zo’n grote mond hebben.’

En dat allemaal omdat het beest tegen Tekken had gezegd dat hij zijn motor moest verplaatsen zodat hij zijn vrachtwagen kon parkeren, zonder daar ‘alsjeblieft’ aan toe te voegen.

Denk je eens in wat hij mij zal aandoen nu ik zijn motor heb beschadigd...

Zijn longen stonden in brand en hij moest zijn pas inhouden. Hij stak een viaduct over een irrigatiekanaal over en bleef hijgend staan onder het afdakje van een bushalte, precies halverwege het viaduct. Op het bord met de vertrektijden en tegen de wanden was het een wirwar van gekleurde opschriften. Het bankje lag vol met ketchup en resten patat mét. En het stonk er naar pis. Het kapotte neonlicht knetterde aan het plafond.

Hij bleef staan en tuurde de weg af om te zien of de bus kwam.

Op dit moment had de motorrijder het waarschijnlijk al aan Tekken verteld. ‘Wie was het, godverdomme?’

‘Een blond jochie. Van de middenschool.’

Fabiana en Esmeralda hadden meteen begrepen dat hij het was geweest. ‘Die kennen we. Dat is Cristiano Zena. Hij zit bij ons op school.’

Die rotwijven zouden hem echt niet in bescherming nemen.

Intussen was de bus nog steeds niet in zicht. En Tekken en zijn bende waren vast al op jacht. Cristiano verstopte zich in de smalle ruimte tussen het bushokje en de vangrail. Hij hoorde het geklater van het water dat tien meter lager onder het viaduct in het kanaal stroomde.

Hij zat net te twijfelen of hij verder zou lopen, toen hij in de verte de gele ogen van de bus zag opdoemen.

Nu is het voorbij.

Hij kwam onder het afdakje vandaan, ging langs de weg staan en wilde net zijn arm omhoog steken, toen drie motoren de bus rechts inhaalden en hem verblindden met hun koplampen. Hij deed een stap naar achteren en de bus reed zonder af te remmen door. Hij zag de mensen achter de raampjes zitten en meteen daarna de rode achterlichten.

De bus was niet gestopt. Maar de motoren wel.

Hij probeerde weg te rennen, maar een zwarte Ducati plantte zich naast hem en Tekken, die achterop zat, sprong boven op hem.

Cristiano viel in de modder en kwam hard op zijn schouder terecht. Hij schopte om zich heen en probeerde zich los te maken, maar Tekken had hem onder zijn biceps vastgepakt en zijn arm schuin over zijn borst vastgeklemd. Met zijn andere hand greep hij hem bij zijn haar, trok zijn hoofd omhoog en sloeg hem voluit met de rug van zijn hand in zijn gezicht, zodat hij tegen de vangrail viel.

Cristiano’s bijnieren produceerden miljoenen adrenalinemoleculen die hem, althans voor het moment, verhinderden om pijn te voelen.

Met een ruk stond hij op en probeerde in de richting van de weg te vluchten, maar hij had nauwelijks een paar stappen gezet of hij viel weer op de grond.

Tekken had hem met een schop onderuit gehaald.

Nu spartelde Cristiano in de ijskoude modder en weer probeerde hij op te staan, maar zijn benen gehoorzaamden niet.

Hij zwoer zichzelf dat er niet één pijnkreet uit zijn mond zou komen.

Tekken zette de hak van zijn schoen op zijn hand en met de weinige lucht die hij nog in zijn longen had, stootte Cristiano een schrille kreet uit.

‘Waarom heb je dat gedaan? Nou? Waarom?!’ bleef Tekken maar zeggen. ‘Vertel!’ Zijn stem klonk gebroken en ongelovig, alsof hij op het punt stond in huilen uit te barsten.

Cristiano kon niet antwoorden omdat hij geen antwoord had, behalve dat hij gedurende vijf minuten buiten zinnen was geweest.

Tekken duwde harder en Cristiano voelde een explosie van pijn door zijn onderarm en vingers trekken.

‘Waarom?! Zeg het!’

Aan de ene kant wilde Cristiano vragen om medelijden, hem smeken op te houden, zeggen dat hij het niet had gedaan, maar aan de andere kant zat er een harde massa in hem die hem tegenhield. Hij zou zich laten vermoorden, maar nooit zou hij om genade smeken.

Tekken stapte achteruit en Cristiano kroop naar bushokje. Alles om hem heen was samengevloeid in een regenboog van kleuren, uitlaatgassen, wielen en benen. Zijn oren suisden en hij kon niet horen wat de anderen op hun motoren zeiden.

Hij meende vrouwenstemmen te horen.

Esmeralda en Fabiana.

Zij waren er dus ook bij. Reden te meer om niet op te geven.

Cristiano sleepte zichzelf onder het bankje van de bushalte.

Misschien lukt het om nog iets verder te komen en dan vinden ze me niet.

Maar dat was ijdele hoop. Tekken pakte zijn enkel vast en trok hem achteruit. ‘Nou, wat moet ik met jou doen?’ Hij gaf een schop. ‘Hebben jullie het gehoord? Dit lulletje heeft mijn motor vernield.’ Hij klonk wanhopig, alsof zijn moesje was neergeschoten. ‘En wat moet ik nu met hem doen?’

Cristiano rolde zich met zijn knieën tegen zijn borst op. Hij kon niet stoppen met trillen. Hij moest reageren, opstaan, terugvechten.

‘Laten we hem naar beneden gooien,’ suggereerde iemand.

Een ogenblik stilte. Toen besloot Tekken: ‘Goed plan.’

Ondanks de pijn die hem meesleurde naar duistere afgronden, vond Cristiano de gedachte om van een brug te worden gegooid en zo te sterven bijna mooi, een bevrijding.

‘Pak zijn voeten vast.’

Ze pakten hem bij zijn enkels. Een stalen hand trok aan een arm. Hij bood geen weerstand.

De volgende dag zou een oud vrouwtje dat op de bus stond te wachten hem vinden, geplet als een kakkerlak op het beton van de oever van het kanaal. Hij vond het erg voor zijn vader.

Die zal doodgaan van verdriet.

Maar toen hij onder zich een zuigende, donkere afgrond voelde en het geluid van het water hoorde en de ijskoude wind voelde, realiseerde hij zich dat ze hem hadden opgetild en knapte er plotseling iets in hem. Hij sperde zijn ogen open en begon als een bezetene om zich heen te trappen en te schreeuwen: ‘Hou op! Hou op! Klootzakken! Hier zullen jullie voor boeten! Ik vermoord jullie. Ik vermoord jullie allemaal!’

Maar het lukte hem niet zich los te maken. Het moesten er minstens drie zijn die hem vasthielden.

Zijn bloed stroomde naar zijn hoofd. Onder hem was zwart water dat telkens wanneer er een auto voorbijkwam zilverig schitterde.

‘Nou, lulletje, wil je dood?’

‘Sodemieter op!’

‘O, ben jij zo stoer?’

Ze duwden hem verder over de leuning.

‘Sodemieter op, klootzakken!’

Hij kreeg een klap waardoor er een bloedspetter uit zijn neus spoot.

De stem van Tekken: ‘Luister goed. Als jij mij maandag niet duizend euro contant geeft, zweer ik je op mijn moeders hoofd dat ik je vermoord! En denk maar niet dat je kunt vluchten, want ik krijg je toch wel te pakken.’ En toen, tegen de anderen: ‘En laat hem nu met rust.’

Ze legden hem op de grond.

Hij had het gevoel dat de hele wereld een draaikolk van lampen en gelaatloze gezichten was.

Neergekwakt tegen de vangrail zag Cristiano hoe ze hun motoren startten, keerden en terugreden naar het dorp.

Het duurde vijf minuten voordat hij een spier probeerde te bewegen, en op dat moment merkte hij dat hij in zijn broek had geplast.

==

==

53.

==

Toen Cristiano Zena thuiskwam zag hij dat de ramen verlicht waren.

Alles zat tegen.

Als zijn vader hem zo zag, met die bemodderde broek, drijfnat van de pis, en dat jack dat onder het bloed zat en helemaal gescheurd was...

Nou ja, niets aan te doen.

Hinkend liep Cristiano over het plaatsje, langs de bestelbus naar het huis. Aan de achterkant was een betonnen oprit die voerde naar een garage half onder de grond met een aluminium rolluik. Hij tilde een bloempot op. Daaronder lag een sleutel. Hij stak die in het slot en trok met een gesmoorde kreet van pijn het rolluik zover omhoog dat hij eronderdoor kon.

Het was koud in de garage. Hij knipte het licht aan en zag een ruimte die rook naar vocht en de verf in de blikken op de lange muurplanken. Met die mosgroen geverfde wanden en dat gele neonlicht leek het wel een mortuarium. In het midden stond een oude pingpongtafel die bedekt was met stapels kranten, buitenbanden en nutteloze rommel die daar al jarenlang lag opgehoopt als op een vuilstort. Een oude piano, onder het stof en weggevreten door houtworm, stond vertikaal tegen een muur. Over de herkomst ervan en waarom die daar stond was Rino altijd onduidelijk geweest. Dat ding had niets met hun leven te maken. En zijn vader was de meest onmuzikale persoon die Cristiano kende. Bij de zoveelste keer dat hij hem ernaar vroeg, had hij eindelijk een antwoord gekregen.

‘Die was van je moeder.’

‘En wat deed zij ermee?’

‘Erop spelen. Ze wilde zangeres worden.’

‘Maar was ze dan goed?’

Het kostte zijn vader moeite om het toe te geven. ‘Een mooie stem. Maar uiteindelijk was zingen niet wat ze het liefste deed, maar zich uitdossen als een snol en naar bars gaan om zich te laten neuken. Ik heb geprobeerd hem te verkopen, maar ik heb nooit iemand gevonden die hem wilde hebben.’

En zo was Cristiano een tijdlang naar de garage gegaan om te proberen piano te spelen. Maar hij was nog minder begenadigd dan zijn vader.

In de dozen die tegen een muur stonden opgestapeld, vond Cristiano oude kleren. Hij deed zijn windjack uit en trok een door de motten aangevreten trui en een spijkerbroek aan. Hij waste zijn gezicht boven de wasbak en deed zijn haar goed. Hij had graag even in de spiegel gekeken om te zien hoe hij was toegetakeld, maar die was er niet.

Hij sloot de garage en liep naar de voordeur.

Het probleem was die opgezwollen lip. Hij had ook een geschaafde rug, opengehaalde handen, pijn aan zijn been, maar dat kon hij allemaal nog verbergen.

Het tweede probleem, dat geen probleem was maar een tragedie, was die duizend euro. Goed, daar kon hij maar beter later in alle rust over nadenken, want hij had geen idee hoe hij dat moest oplossen.

Nu moest hij alleen maar hopen dat zijn vader sliep of al bedwelmd was door de alcohol, het huis binnengaan en stil als een panter de trap op sluipen en zijn kamer binnenglippen.

Hij haalde diep adem. Hij controleerde nog eens zijn kleren, deed de voordeur open en sloot die zo zacht mogelijk achter zich.

In de woonkamer brandde slechts één lamp naast de televisie. De rest van de kamer was gehuld in schemering.

Zijn vader zat zoals gewoonlijk in de ligstoel. Vanwaar hij stond zag Cristiano zijn kale schedel. Op de bank zat Quattro Formaggi, met zijn rug naar hem toe. Sliepen ze? Hij wachtte even om te luisteren of ze aan het praten waren. Niets.

Mooi.

Hij liep op zijn tenen naar de trap. Met ingehouden adem zette hij een voet op de eerste tree en de andere voet op de volgende, maar hij zag niet dat daar een hamer en een tang lagen, die met veel lawaai naar beneden vielen.

Cristiano klemde zijn kiezen op elkaar, tilde zijn hoofd op, en hoorde op hetzelfde moment de dikke stem van zijn vader: ‘Wie is daar?! Cristiano, ben jij dat?’

Hij onderdrukte een vloek en antwoordde zo ontspannen mogelijk: ‘Ja, ik ben het.’

‘Hoi!’ Quattro Formaggi stak een arm op.

‘Hoi!’

Zijn vader draaide langzaam zijn hoofd om, een door het televisiescherm blauw geverfd masker. ‘Was je dan thuis?’

Verstijfd als een standbeeld omklemde Cristiano de trapleuning. ‘Ja.’

‘Ik zag geen licht branden in je kamer.’

‘Ik lag te slapen,’ flapte hij eruit.

‘O!’

Voorbij. Hij was te dronken om zich te interesseren in wat hij deed. Hij nam nog een tree.

‘Er is geloof ik nog mortadella over. Kun je die even brengen met wat brood?’ ging Rino verder.

‘Kun je dat zelf niet halen?’

‘Nee.’

‘Kom op. Dat is toch niet zo moeilijk?’

‘Ik haal het wel voor je,’ offerde Quattro Formaggi zich op.

‘Nee, jij blijft zitten. Als een vader aan zijn zoon vraagt om mortadella te halen, dan gaat die zoon mortadella halen. Zo werkt dat. Waar heb je anders kinderen voor?’ Hij was harder gaan praten. En dus had hij óf een slecht humeur óf hoofdpijn.

Cristiano liep sputterend naar de keuken om de mortadella te halen. In de lege koelkast was nog maar één plakje over.

Hij pakte ook het brood. Verborgen in de schaduw liep hij naar zijn vader.

Maar op het moment dat hij het brood en de worst aanreikte, beet het ongeluk zich opnieuw in hem vast. Op de televisie beantwoordde iemand de twintigduizendeurovraag en gingen tweeduizend lampen van een paar miljoen volt tegelijkertijd aan waardoor de woonkamer baadde in het licht.

Cristiano sloeg zijn ogen neer en toen hij ze weer opsloeg was de uitdrukking op zijn vaders gezicht veranderd.

‘Wat heb jij met je lip gedaan?’

‘Niets. Wat heb ik gedaan?’ Hij bedekte zijn mond met zijn handen.

‘En met je handen?’

‘Ik ben gevallen.’

‘Hoe dan?’

Uit de leegte van Cristiano’s geest ontsnapte de eerste de beste onnozele leugen: ‘Op de trap. Het is niet erg,’ bagatelliseerde hij.

Zijn vader keek hem argwanend aan. ‘Op de trap? En dan ben je zo toegetakeld? Ben je helemaal van boven naar beneden gevallen?’

‘Ja... Ik struikelde over mijn veters...’

‘Maar hoe heb je dat voor elkaar gekregen? Het lijkt wel of je in elkaar geslagen bent...’

‘Nee... Ik ben alleen maar gevallen...’

‘Je staat te liegen.’

Het was onmogelijk om te liegen tegen zijn vader. Die had een zesde zintuig voor leugens. Hij zei dat lulkoek stinkt en dat hij die stank op honderd meter afstand meteen kon ruiken. En hij kwam er altijd achter. Hoe hij dat deed wist Cristiano niet, maar hij vermoedde dat het kwam door dat trillen van zijn kaken, dat hij niet kon verbergen wanneer hij tegen zijn vader loog.

Raar, de hele rest van de wereld kon hij als een ware kunstenaar voorliegen. Hij vuurde de meest fantastische onzin af en niemand die eraan twijfelde. Maar met zijn vader was het een ander verhaal, dan lukte het niet, dan voelde hij die zwarte ogen boren naar de waarheid.

En op dat moment had Cristiano ook niet de juiste gemoedstoestand om een ondervraging te doorstaan.

Zijn benen trilden nog steeds en zijn maag was onrustig. Een verstandig stemmetje in hem fluisterde dat zijn vader de enige was die hem kon helpen om uit de sores van die duizend euro te komen.

Hij maakte een fout. Hij liet hij zijn hoofd hangen en zei met een zacht stemmetje: ‘Het is niet waar. Ik ben niet gevallen. Ik heb gevochten...’

Rino bleef, door zijn neus ademend, een oneindig lange tijd stil, en zette toen de televisie uit. Hij slikte. ‘En naar ik aanneem ben jij degene die de klappen heeft gekregen.’

Cristiano knikte.

Hij mocht niet praten want hij voelde dat al zijn krachten om tot dan toe niet te huilen nu waren uitgeput. Hij had het gevoel alsof er prikkeldraad om zijn luchtpijp zat.

Hij tilde zijn sweater op en liet zijn geschaafde rug zien.

Zijn vader keek er uitdrukkingsloos naar en begon toen met zijn hand over zijn gezicht te wrijven alsof hij zojuist had gehoord dat zijn hele familie was omgekomen bij een auto-ongeluk.

Cristiano had er spijt van dat hij de waarheid had verteld.

Rino Zena hief zijn hoofd op, keek naar het plafond en vroeg vriendelijk: ‘Quattro Formaggi, zou jij nu alsjeblieft willen gaan?’ Hij pufte. ‘Ik moet alleen zijn met mijn zoon.’

Nu gaat hij me slaan... dacht Cristiano.

Zwijgzaam als een vis stond Quattro Formaggi op, deed zijn oude winterjas aan, trok een onbegrijpelijke grimas tegen Cristiano en ging weg.

Toen de deur dicht was, stond Rino op en knipte alle lampen in de kamer aan, liep toen naar Cristiano en bekeek zijn verwondingen en zijn mond alsof hij een paard was.

‘Doet je rug pijn?’

‘Een beetje...’

‘Kun je hem nog buigen?’

Cristiano boog voorover. ‘Ja.’

‘Het is niets ernstigs. En je been?’

‘Ook.’

‘Je handen?’

‘Niet erg.’

Zonder iets te zeggen begon Rino rondjes door de kamer te lopen en ging ten slotte op een stoel zitten. Hij stak een sigaret op en staarde hem aan. ‘En jij?’

‘Wat?’

‘Heb jij hen ook afgetuigd?’ Hij hoefde zijn zoon maar in de ogen te kijken om het antwoord te weten. ‘Jij hebt ze met geen vinger aangeraakt!’ Wanhopig schudde hij zijn hoofd. ‘Jij... jij kunt niet vechten.’ Het was een onthullende constatering. ‘Jij bent niet in staat om te vechten.’ Hij sprak op een toon die het midden hield tussen gechoqueerd en schuldig. Alsof hij hem niet had leren praten of lopen. Alsof hij een zoon had gekregen met een dodelijke zetmeelallergie en die had gedwongen zich vol te proppen met brood.

‘Maar...’ Cristiano probeerde hem te onderbreken om uit te leggen wie Tekken eigenlijk was. Maar zijn vader draafde door.

‘Het is mijn schuld. Het is mijn schuld.’ Nu hield hij al ijsberend zijn hoofd tussen zijn handen als een boeteling in Lourdes. ‘Hij kan zichzelf niet verdedigen. Het is mijn schuld. Wat een imbeciel...’

Hij zou waarschijnlijk nog heel lang zo hebben kunnen doorgaan, als Cristiano niet had geschreeuwd: ‘Papa! Papa!’

Rino stopte. ‘Wat is er?’

‘Die gozer is meerderjarig... en een kampioen in Thai-boksen. Hij heeft disctrictsprijzen gewonnen.’

Zijn vader keek hem niet-begrijpend aan. ‘Wie bedoel je?’

‘Tekken!’

‘Wie is in godsnaam Tekken?’

‘Die jongen die me heeft afgetuigd.’

Rino pakte hem bij zijn kraag. Zijn gezicht was verkrampt, zijn neusvleugels opengesperd en zijn mond dichtgeknepen. Hij hief een vuist op. Instinctief beschermde Cristiano zijn hoofd met zijn armen. Besluiteloos bleef Rino hem zo vasthouden en gaf hem toen een duw die hem op de bank deed belanden.

‘Wat een ongelooflijke zak ben jij. Jij gelooft nog steeds in die onzin dat iemand die aan vechtsport doet ook gewoon kan knokken. Maar heb je dan helemaal niets geleerd van het leven? Hoe redeneer jij eigenlijk... O, nu weet ik het! Jij gelooft wat je op de televisie ziet: zo leer jij hoe je moet leven. Beken het maar! Zo is het, toch? Je ziet tekenfilms waar ze aan kungfu en dat soort flauwekul doen en dan denk jij dat je Bruce Lee of zo’n andere Chinese eikel moet zijn die een paar acrobatische toeren uithaalt en wat kreetjes slaakt in plaats van flink te knokken. Je hebt er echt geen moer van begrepen. Weet je wat er nodig is om goed te kunnen knokken? Weet je dat of niet?’

Cristiano schudde zijn hoofd.

‘Heel simpel! Je moet gemeen zijn! Gemeen, Cristiano! Je moet alleen maar een vuile klootzak zijn en niemand aankijken. Al is het Jezus Christus zelf die in de tempel tegen je tekeergaat, als jij weet wat je moet doen gooi je hem omver als een kegel. Je gaat achter hem aan, je zegt “hé, jij daar!”, hij draait zich om en je geeft hem een dreun voor z’n harses, hij valt languit achterover op de grond en als je zin hebt schop je hem tegen zijn mond en klaar is Kees. Amen. Maar als het juist iemand is die je zit te sarren, die begint te duwen, zijn mond opendoet en begint te raaskallen, die probeert je bang te maken door om je heen te springen, wat moet je dan doen? Niets. Dan blijf je staan. Vervolgens,’ en hij zette een voet naar voren, ‘zet je je voet zó neer. En als hij vlak bij je is geef je hem een kopstoot tegen zijn neus. Alsof hij een voetbal is: met je nek en je schouders er vol tegenaan. En je moet hem raken met dit gedeelte, anders doe je jezelf pijn.’ Hij raakte het bovenste gedeelte van zijn voorhoofd aan. ‘Als je hem precies met die plek raakt voel je er niets van. Hooguit is het de volgende dag een beetje rood. Die ander valt op de grond en dan doe jij je gebruikelijke ding: schop tegen zijn mond en klaar. Ik daag wie dan ook uit om weer op te staan, zelfs die klootzak, hoe heet-ie ook alweer... Maar je moet vastberaden en gemeen zijn, begrepen? Kom eens hier.’

Cristiano keek hem aan. ‘Hoezo?’

‘Kom hier en hou je mond.’

Aarzelend gehoorzaamde Cristiano.

‘Geef me een kopstoot. Laat eens zien.’

‘Hè?’

‘Ik zei: geef me een kopstoot.’

Cristiano was verbaasd. ‘Ik? Moet ik jou een kopstoot geven?’

Zijn vader greep zijn pols vast. ‘Wie anders? Geef me verdorie een kopstoot.’

Cristiano probeerde zich los te maken uit de greep. ‘Nee... Alsjeblieft... Dat wil ik niet... Daar heb ik geen zin in.’

Rino’s greep verstevigde. ‘Nu moet jij eens heel goed naar me luisteren. Niemand mag jou slaan. Nooit meer. Niemand op de hele wereld mag zichzelf dat permitteren. Jij bent geen watje dat zich laat aftuigen door de eerste de beste lul die hij tegenkomt. Ik zou je heel graag willen helpen, je weet hoe graag ik dat zou willen, maar dat kan ik niet. Jij moet je eigen problemen oplossen. En daar bestaat maar één manier voor: je moet gemeen worden.’ Hij pakte hem bij zijn arm. ‘Jij bent te lief. Je bent slap. Je bent niet kwaad genoeg. Jij ben een weekdier. Heb je soms geen ballen?’ Hij schudde hem door elkaar alsof hij een pop was. ‘Dus geef me nu die kopstoot. Je moet er niet aan denken dat ik je vader ben, je moet nergens aan denken, denk alleen dat je me pijn moet doen en dat ik er de rest van mijn leven spijt van moet hebben dat het in me opkwam jou te willen aftuigen. Snap je dat als je er een paar hebt afgetuigd iedereen daarna zal weten dat jij een gemene klootzak bent en niemand je meer zal lastigvallen? Ik doe het voor jou. Als je mij geen kopstoot kunt geven, zul je die ook nooit aan iemand anders kunnen geven.’ Hij lokte hem met zijn vingers en zei: ‘Erop los dus!’

Er was niets tegen te beginnen. Cristiano wist het. Hij moest die kopstoot geven.

Hij zette zijn voet naar voren en trok zijn hoofd naar achteren, sloot zijn ogen en liet zijn voorhoofd naar voren schieten. Hij raakte zijn vader op zijn neusbeen en hoorde een onaangenaam geluid, zoals wanneer je kippenbotjes breekt. Zelf voelde hij slechts een lichte kriebel midden op zijn voorhoofd.

Als een bokser die de bel heeft horen gaan, zette Rino een stap achteruit, bracht zijn handen naar zijn neus, slikte een kreet in en liep rood aan. Terwijl hij zijn handen liet zakken stroomden er twee straaltjes bloed uit zijn neusgaten.

Cristiano sloeg zijn armen om hem heen. ‘Sorry, papa, het spijt me...’

Rino drukte hem tegen zich aan, streelde zijn haar en zei met verstikte stem: ‘Goed zo! Ik geloof dat je mijn neus hebt gebroken.’

==

==

54.

==

Terwijl Rino Zena watten in zijn neusgaten stopte, zat Cristiano op de wc naar hem te kijken en bedacht hij dat het probleem nog steeds niet was opgelost.

Oké, hij had geleerd hoe je een kopstoot moest geven, maar als hij Tekken ook nog een kopstoot zou geven nadat hij eerst zijn motor had vernield, zouden zijn maten hem grijpen en hem met veel plezier over de rijksweg slepen.

Maar wat hem nog het meest verbaasde, was dat zijn vader niet eens gevraagd had waaróm hij was afgetuigd. Het was zelfs niet in zijn hoofd opgekomen.

Het enige wat hij belangrijk vindt, is dat zijn zoon door niemand wordt afgetuigd.

Eerlijk gezegd had hij die klappen verdiend. Als ze zíjn motor hadden vernield, had hij net zo gereageerd.

Hij bracht een hand naar zijn voorhoofd.

En als ik hem vertel van die duizend euro?

Hij zou hem alles moeten vertellen. Hij wist niet wat hij moest doen.

‘Ben je zover?’ vroeg zijn vader met een Donald Duck-stem, terwijl hij zijn gezicht afdroogde.

‘Om wat te doen?’

Rino trok een schoon shirt aan. ‘Hoezo, om wat te doen? We gaan dat bokskampioentje eens te grazen nemen en hem duidelijk maken dat hij een grote vergissing heeft begaan door jou af te tuigen.’

Cristiano had het gevoel dat hij moest overgeven. Dit kon niet waar zijn. ‘Je maakt zeker een grapje, hè?’

‘Helemaal niet. Deze dingen kun je niet zomaar voorbij laten gaan. Als iemand jou kwaad doet, moet je onmiddellijk reageren. En wel zevenmaal harder, net als in de Bijbel staat.’

‘Moeten we dat nú doen?’

‘Je gaat me toch niet vertellen dat je wilt overkomen als iemand die klappen krijgt en vervolgens zijn mond houdt... Dit soort kwesties moet onmiddellijk worden opgelost.’

Met matte stem sputterde Cristiano tegen. ‘Maar hij is vast samen met de anderen...’

Rino begon heen en weer te springen als een bokser die de ring in moet. ‘Des te beter. Zo kunnen ze allemaal zien dat er met Cristiano Zena niet te spotten valt.’

‘En als de anderen hem verdedigen?’

‘Maak je geen zorgen... Ik ben erbij.’ In zijn vaders ogen glansde een koortsachtige opwinding.

‘En als hij me daarna aangeeft bij de politie...? Dan zit ik in de problemen...’

Zonder te antwoorden liep zijn vader naar de woonkamer.

Cristiano volgde hem smekend. ‘Papa, alsjeblieft, je kent Trecca toch... Dit keer stuurt hij me echt naar een kindertehuis.’

Rino liep naar de kachel waar het brandhout lag opgestapeld. Hij koos een stammetje van zo’n zestig centimeter lang uit en zwaaide er tevreden mee door de lucht alsof het een baseballknuppel was.

‘Heel goed! En nu ga jij hem dit stuk beukenhout op zijn tandvlees laten voelen.’

‘Ik ga niet mee, papa.’ Cristiano schudde verdrietig zijn hoofd en ging toen op de bank zitten. ‘Jij zegt altijd dat we geen rottigheid moeten uithalen. Ik blijf thuis... Het kan me niets schelen. Ga jij maar als je wilt... Je zei dat ik mijn eigen problemen moet oplossen... Ik los ze zelf op. Alsjeblieft, leg dat stuk hout terug. Je ziet er niet uit...’

‘Luister jij eens goed naar me. Denk jij dat je vader een domme lul is? Dat lijkt misschien zo, maar je vader denkt na.’ Hij tikte met een vinger tegen zijn slaap. ‘Dit brein functioneert nog heel behoorlijk, dus jij moet gewoon doen wat ik zeg. Je moet kalm zijn. Rustig blijven. Laat het maar aan mij over.’ Hij pakte zijn armen vast. ‘Hij is achttien en jij dertien. Hij is meerderjarig en jij minderjarig. Degene die in de problemen komt is hij. Hij is begonnen... Zoals ik het zie, dwing jij alleen maar respect af. En als hij daarna toch nog problemen maakt...’ en hij haalde het pistool uit de la van het buffet, ‘...dan laten we hem kennismaken met dit kereltje hier. We hoeven het alleen maar onder zijn neus te duwen.’

‘Maar...’

‘Niks maar.’

Rino pakte de fles grappa van de tafel, slokte er een kwart van naar binnen en liet toen iets wat op een boer leek. ‘Drink, vooruit. Dat geeft je moed.’

Cristiano zette de fles aan zijn mond. Hij voelde de alcohol branden in zijn ingewanden en begreep dat Tekken zwaar in de problemen zat.

==

==

55.

==

Op weg naar Varrano voelde Cristiano driemaal de neiging om alles te vertellen, en driemaal beperkte hij zich ertoe zich voor te stellen dat hij alles opbiechtte.

Papa, ik moet je wat vertellen... Ik heb zijn motor vernield... Daarom heeft hij me afgetuigd. Ik heb hem opgezadeld met een schade van duizend euro, zonder dat hij me iets had misdaan.

Helemaal waar. Tekken had hem nooit echt iets misdaan. Nooit. Hij had een heleboel mensen lastiggevallen wanneer hij op school kwam, maar hem nooit. Met geen woord. Waarschijnlijk wist Tekken voor deze avond niet eens van zijn bestaan af.

Als ze Tekken te grazen namen, zou hij vertellen dat Cristiano zijn motor had vernield en zou zijn vader erachter komen...

Wat een ellende allemaal.

Maar toen ze bij het winkelcentrum aankwamen, was het dicht. De hekken gesloten. De lichten uit. De torens zwart. De asfaltvlakte gegeseld door de regen, waarin de lichtbundels van de straatlantaarns dansten. Tekken had zijn motor weggehaald.

Cristiano slaakte een zucht van verlichting. ‘Hij is er niet. Laten we naar huis gaan.’

Het enige antwoord: ‘Rustig. Ik krijg hem wel.’

Ze reden rond door het dorp. De bar. De hoofdstraat. De straten in het centrum. Het was pas kwart over negen, maar er was geen levende ziel te bekennen.

Zijn vader reed schokkerig, schakelde veel, maakte talloze overtredingen. ‘Waar hangt die klootzak toch uit?’

‘Hij zal wel naar huis zijn gegaan. Laten we ermee ophouden. Het is al laat.’

De straten waren verlaten en de regen roffelde op het dak van de bestelbus.

Ze hielden stil langs de berm van de rijksweg. Rino stak zijn zoveelste sigaret op. ‘Wat doen we?’ vroeg hij.

‘Ik weet het niet.’

Zijn vader zweeg en raakte zijn gezwollen neus aan.

‘Kom, we gaan naar huis,’ adviseerde Cristiano hem.

En dus reden ze verder, maar voor de zekerheid wilde Rino nog een rondje door het dorp rijden. Hij passeerde de kerk en reed door de straten van de nieuwbouwwijk, met verlichte huizen en keurige tuintjes waarvoor stationwagens en terreinwagens stonden geparkeerd, en reed toen eindelijk opnieuw de verlaten rijksweg op. Om de honderd meter tekenden de lantaarns gele cirkels op het asfalt, en de ruitenwissers deden hun uiterste best om de voorruit droog te houden.

Cristiano stond op het punt om zeggen dat hij langs de snackbar moest rijden, toen hij aan de overkant van de rijksweg een zwarte figuur in de regen een motor zag voortduwen.

Tekken.

Zijn windjack drijfnat. Zijn banden lek gestoken. Wat vermoeiend moest dat zijn. Helemaal alleen op de rijksweg... Geen enkel risico een pleefiguur te slaan en door de politie te worden betrapt.

Tekken zou het zó in zijn broek doen dat hij niet meer om dat geld zou vragen. Maar het moest snel gebeuren: uit de bestelbus springen en hem met het stuk hout neerslaan zonder dat hij tijd had om iets te zeggen.

Cristiano telde tot drie, sprong toen op van zijn stoel en schreeuwde: ‘Ik zag hem! Papa, ik zag hem!’

‘Waar?! Waar?!’ Rino ontwaakte uit zijn verdoving.

‘Aan de overkant van de weg. We zijn langs hem gereden. Hij loopt. Je moet keren! Je moet keren!’

‘Daar ga je! Hoerenzoon, we hebben je toch te pakken gekregen!’ schreeuwde Rino, die zonder op of om te kijken met piepende banden keerde. ‘Is hij alleen?’

‘Ja. Hij duwt een motor.’

‘Een motor?’

‘Ja.’

Zonder enig commentaar registreerde Rino deze informatie.

Cristiano voelde de opwinding in hem bovenkomen en zijn ademhaling versnellen. Hij klemde het stuk hout vast. Het was behoorlijk zwaar. Hij had geen speeksel meer in zijn mond. ‘Hoe gaan we het doen, papa?’

‘Eerst zetten we de koplampen uit zodat hij niet merkt dat we achter hem rijden. Als we op vijftig meter van hem vandaan zijn, stap jij uit zonder dat hij het hoort en dan roep je zijn naam, en als hij zich omdraait geef je hem net genoeg tijd om je te herkennen en dan sla je hem neer. Denk erom: één keer slaan. Als je hem goed raakt, is dat genoeg. Dan rijd ik langs en stap je weer in.’

‘En waar moet ik hem raken?’

Rino dacht even na en tikte toen tegen zijn kaak. ‘Hier.’

Ze werden ingehaald door een auto die de reflector op het achterspatbord van de motor verlichtte.

‘Daar is hij. Ga.’ Rino zette de Ducato stil.

Cristiano stapte uit en hield het stuk hout stevig vast. Nu zou die etterbak leren wat het betekent als je Cristiano Zena lastigvalt.

Ik beuk je kop aan diggelen, klootzak.

Hij keek achterom. Er kwamen geen auto’s aan.

Met het stuk hout in zijn hand begon hij te rennen. Bij elke pas werd de zwarte vlek van Tekken die de motor voortduwde groter. Het geluid van de lekke banden op het asfalt. Op ongeveer tien meter afstand hield hij abrupt zijn pas in en liep op zijn tenen verder tot hij hem tot minder dan een meter was genaderd.

Goed mikken, sprak hij zichzelf toe.

Hij hief het stuk hout stok op en schreeuwde: ‘Tekken! Lul die je bent!’

Tekken keek om en had niet eens de tijd om te begrijpen wat er gebeurde. Cristiano zou hem precies op zijn slaap een klap hebben gegeven die hem had gedood of in coma had gebracht, als Tekken niet op het laatste moment instinctief of uit vechtervaring zijn hoofd net voldoende opzij had gedraaid om het stuk hout langs zijn jukbeen te laten zoeven, waardoor het tussen zijn hals en sleutelbeen neerkwam.

Geluidloos liet Tekken de motor los, die op de grond viel waarbij het spiegeltje brak, bleef even op zijn benen wankelen, bracht als in slow motion een hand naar de plek waar hij geraakt was, viel toen onthutst en zwijgend achterover en belandde met zijn benen in de lucht naast de motor.

‘Vuile klootzak! Laat me met rust, begrepen? Jij kent me niet, je moet me met rust laten.’ Cristiano hief opnieuw de knuppel op. ‘Als je me niet met rust laat, vermoord ik je.’ Hij had verschrikkelijk veel zin om hem te slaan, om de kop van die klootzak te verbrijzelen. ‘Je denkt dat je een hele piet bent, maar je stelt niets voor.’ Hij slikte. ‘Helemaal niets.’

Toen zag hij in Tekkens ogen de zekerheid dat hij zou gaan sterven, en hij merkte dat al die woede in zijn lijf, die elke vezel van zijn wezen in vlammen had gezet, nu was gedoofd. Hij had hem alleen maar in de ogen hoeven te kijken en...

Ik stond op het punt om hem te vermoorden.

...het was weg, alsof er een kurk uit hem was getrokken en de razernij uit hem was ontsnapt als gas dat vervliegt. Nu voelde hij zich misselijk en vreselijk moe.

‘Waarom? Ik heb je niets misdaan... Ik heb je...’ stamelde Tekken met zijn handen omhoog.

Op dat moment stopte de bestelbus achter Cristiano en ging het portier open.

‘Instappen! Vooruit, instappen!’ Rino gebaarde dat hij moest instappen.

Cristiano liet zijn arm zakken en het stuk hout op de grond vallen, en stapte in de Ducato.

III
Zondag

56.

==

De Frecce Tricolori kwamen eraan.

Om twee uur die middag zou het driehonderddertiende eskader voor luchtacrobatiek van de Italiaanse luchtmacht stuntvliegen en de lucht boven Murelle wit, rood en groen kleuren.

Om acht uur die ochtend belde Danilo Aprea opgewonden naar Rino Zena. ‘Een spektakel! De beste piloten ter wereld. Onze nationale trots. En ik ben niet de enige die dat zegt, ik heb ze tien jaar geleden ook al gezien... Ze zijn over de hele wereld beroemd. En het is nog gratis ook.’

Rino vroeg aan Cristiano of hij wilde gaan kijken, en Cristiano zei ja.

Afgesproken.

Ze gingen naar de luchtshow.

Ook Quattro Formaggi werd opgetrommeld, en aangezien de show zou plaatsvinden boven een groot veld, werd er besloten een picknick te houden met gegrilde worstjes, bruschette en wijn.

==

==

57.

==

Een lijkkleed van wolken had zich als een grijze deken uitgestrekt over het veld waar de straaljagers voorbij zouden komen.

Het stuk grond van enkele hectaren groot was afgezet met lange gestreepte plastic linten, en de weinige kale bomen staken als treurige zwarte antennes uit de modder omhoog.

Toen onze vrienden arriveerden, was de parkeerplaats al bezet door honderden auto’s en touringcars. Zij waren niet de enigen die op het idee waren gekomen om een barbecue mee te nemen. Overal zag je de rookspiralen van houtskool op barbecues opstijgen. Er waren ook rijen busjes met opvallende reclameborden waar, onder het lawaai van elektrische generatoren, frisdrank en broodjes werden verkocht.

De mensen zaten op ligstoelen en plastic krukjes, hun voeten weggezakt in de modder en hun neus in de lucht.

Quattro Formaggi parkeerde naast een grote blauwe pick-up.

Het gezin zat zich in de laadruimte tegoed te doen aan pizza, rijstballen en kipkroketten.

Rino Zena stapte uit de bestelbus en merkte dat hij zich helemaal niet goed voelde. De hoofdpijn was er nog steeds, hevig en bonkend, en verborg zich soms als een inktvis in de rotsspleten van zijn hersenen om, zodra hij te veel dronk of rookte, woedend tevoorschijn te komen en zijn elektrische tentakels uit te slaan naar zijn slapen, naar zijn oogkassen en zijn nek, tot in zijn maag.

Het is waar. Ik moet stoppen met drinken.

Misschien moest hij zich aanmelden bij de Anonieme Alcoholisten, of het advies van Trecca opvolgen, maar er moest iets gebeuren. Ook al zou dat uiteindelijk voor de sociale dienst het bewijs zijn dat hij niet in staat was voor Cristiano te zorgen.

Voordat je je laat opnemen moet je trouwen. En nog beter is het als je iemand vindt die haar eigen geld verdient.

Er was ooit een vrouw geweest met wie Rino op een gegeven moment wel had willen trouwen. Mariangela Santarelli, eigenares van een kapperszaak in Marezzi, een deelgemeente van Varrano. Mariangela had drie kinderen (vijf, zes en zeven jaar) en was een jonge weduwe. Haar man, eigenaar van een winkel in bouwartikelen, was haar na acht jaar huwelijk ontvallen door leukemie.

Eigenlijk ging Rino om met Mariangela omdat zij Cristiano altijd bij zich hield als hij ’s nachts wegging. ‘Waar er drie slapen, kunnen er net zo goed vier slapen,’ zei de kapster dan, terwijl ze leunde tegen de deurstijl tegenover een tweepersoonsbed vol kinderen.

Rino, die het verafschuwde om te slapen met de vrouwen die hij neukte, kwam Cristiano dan de volgende ochtend halen en bracht hem naar het kinderdagverblijf.

Maar op een dag gingen Rino en Mariangela toch uit elkaar omdat hij geen serieuze man was en niet met haar wilde trouwen.

‘Vind maar eens een andere trut die voor jouw zoon wil zorgen en zich ook nog laat bedriegen!’ had de kapster hem uitgedaagd.

En ze had de weddenschap gewonnen.

Misschien zou ik weer eens van me kunnen laten horen...

Al betwijfelde hij dat Mariangela nog steeds alleen was. Ze was een mooie vrouw met een vast inkomen.

Cristiano liep met de plastic zak van de discountsuper in zijn hand naar hem toe. ‘Papa, hoe steken we het vuur voor de worstjes aan?’

Rino wreef in zijn pijnlijke ogen. ‘Ik weet het niet. Zoek maar wat hout, of vraag iemand of je wat kooltjes mag hebben. Ik moet even gaan liggen. Roep me maar als de vliegtuigen komen.’ Hij opende de achterklep van de Ducato en ging in de laadruimte liggen.

Misschien moest hij alleen maar even slapen.

‘Hoe voel je je?’

Rino deed een oog half open en zag dat Quattro Formaggi met gebogen hoofd naar hem keek.

‘Gaat wel.’

‘Ik wil je wat vragen.’

‘Vraag maar.’

Quattro Formaggi ging naast Rino liggen en begon zijn buik te krabben. Vervolgens staarden ze allebei naar het dak van de Ducato.

‘Wil je me helpen met Liliana?’

Rino gaapte. ‘Ik begrijp het niet. Vind je haar echt zo leuk?’

‘Ik geloof het wel... Wat denk jij?’

‘Wat weet ik daar nou van, Vier? Dat moet je zelf weten.’

Na het gesprek bij de rivier had Rino navraag gedaan en ontdekt dat Liliana al meer dan twee jaar een vaste relatie had, maar dat ze nog niet de moed had gehad om dat aan zijn vriend te vertellen.

‘Nee, jij weet al mijn dingen. Jij redt me. Jij hebt me ook geholpen op het internaat. Weet je nog...’

‘Alsjeblieft zeg, begin nou niet weer met dat ik jou altijd red... Ik heb barstende koppijn.’

Toch hield Quattro Formaggi vol en herinnerde hem opnieuw aan die tijd op het internaat, toen ze elkaar hadden leren kennen. In die tijd heette hij nog Corrado Rumitz en werd hij door iedereen te grazen genomen, getreiterd, vernederd en gecommandeerd, en dat alles voor de onverschillige ogen van de paters.

En Rino had hem geholpen. Waarschijnlijk omdat hij door hem in bescherming te nemen aan iedereen liet zien dat ze Rino Zena en alles wat van hem was, inclusief deze halvegare, met rust moesten laten. Zo was het in feite.

Rino was veertien en zat op een muurtje van het internaat een sigaret te roken terwijl drie rotjongens een arme dwaas in een vat hadden gestopt en daar tegenaan schopten zodat het over de binnenplaats rolde. Rino had zijn peuk weggegooid en een van de jongens tegen de grond geslagen.

‘Probeer hem nog eens lastig te vallen en je krijgt met mij te maken. Doe maar net alsof er op dat vat geschreven staat “eigendom van Rino Zena”. Begrepen?’

Sinds die dag hadden ze de halvegare met rust gelaten.

Zo was hun vriendschap begonnen, als je het tenminste vriendschap kon noemen. Toch waren er sindsdien twintig jaren voorbijgegaan en lagen ze nu naast elkaar in de Ducato. Dus...

‘Nou, Rino, help je me?’

‘Luister... Die Liliana is niets voor... ons. Heb je goed naar haar gekeken? Die wil omgaan met mensen die geld in het laatje brengen. Kunnen wij haar dat bieden? Hou toch op. Vergeet haar. En daarbij: hoe zou dat moeten, je wil niet eens dat ik bij jou thuis kom, waar wil je haar mee naartoe nemen?’

Quattro Formaggi pakte zijn pols vast. ‘Heeft ze soms een vaste vriend?’

‘Dat weet ik niet...’

‘Zeg op.’

‘Oké. Ja, ze heeft een relatie! Ben je nou tevreden? Dus zet het uit je hoofd. Klaar. Over. Ik wil er niets meer over horen.’

Stilte. Toen zei Quattro Formaggi zacht: ‘Oké.’

==

==

58.

==

Quattro Formaggi zei: ‘Oké.’ En staarde zwijgend naast Rino naar het dak van de Ducato.

Om eerlijk te zijn had hij zelf ook al gehoord dat Liliana een vaste relatie had, maar hij hoopte dat God had besloten hem te helpen en ervoor zou zorgen dat ze ruzie kreeg met haar verloofde.

En daarbij had Rino gelijk: hij had zo’n vrouw niets te bieden. Maar als zijn kerststal eenmaal klaar zou zijn, had hij toch ook iets belangrijks. En zou zijn huis een museum zijn.

Wat gek, hij voelde zich opgelucht nu hij wist dat hij geen enkele kans maakte bij Liliana.

Rino gaf hem de wijnfles aan. ‘En, gaan we nog door met die kraak of niet?’

Quattro Formaggi nam een slok en zei vervolgens: ‘Zeg jij het maar.’

‘Is de tractor klaar?’

‘Ja.’

‘Nou, laten we het dan maar proberen. Maar als we merken dat het bij de eerste poging niet lukt om die geldautomaat uit de muur te rammen, dan stoppen we ermee. De politie is er natuurlijk meteen bij.’

‘Goed. Maar wanneer?’

‘Vanavond. Zeg jij het tegen Danilo?’

‘Nee, jij moet het zeggen.’

‘We zeggen het straks. We gaan hem verrassen.’

En toen zwegen ze en bleven elkaar zwijgend de fles doorgeven.

==

==

59.

==

Danilo Aprea, neergeploft in de rammelkast, met in zijn ene hand een fles en in de andere een rauw worstje, niet wetend dat een paar meter achter hem Rino had besloten dat zijn plan zou worden uitgevoerd, keek als betoverd naar het driehonderddertiende eskader voor luchtacrobatiek, dat boven zijn hoofd, onder luid applaus van honderden toeschouwers, driekleurige strepen in de lucht trok.

Hij was dronken, zijn gezicht was vertrokken in een onnozele glimlach, en de enige gedachte die hij kon produceren was: Tering, wat zijn ze goed. Ze zijn écht goed.

Vervolgens sloeg hij als een vermoeide kameel zijn blik neer, zag dat Cristiano zwijgend naast hem zat te kijken naar de vliegtuigen, en wist er nog één te produceren: Als Laura nog leefde zou ze nu beslist tussen mij en Cristiano in zitten.